tenissen zijn van weinig beteekenis tegenover hetgeen verdwenen is.
Ook het Rijk heeft Amsterdam een belangrijke industrieele instelling ontnomen: de Landswerf, die een voortzetting was van de werf der Oost-Indische Compagnie. Er werden vooral de groote schepen voor onze zeemacht gebouwd. Maar het Rijk heeft het bouwen in eigen beheer opgegeven en draagt thans den bouw van oorlogsvaartuigen aan particuliere werven op. Dientengevolge werd de Landswerf opgeheven. Wat er van het bedrijf was overgebleven, werd overgebracht naar het Nieuwediep. Hetzelfde lot trof later de werf te Hellevoetsluis.
Met de haven is het beter gesteld, dank zij vooral Amsterdams eigen krachtsontwikkeling — want te ’s Gravenhage heeft men gedaan wat men kon om het herstel en de ontwikkeling van de haven van Amsterdam te bemoeilijken. De aanleg van het Noord-Hollandsche Kanaal, de tegenwerking bij het tot stand brengen van het Noordzeekanaal, de versperring van dit kanaal door sluizen en spoorbruggen, de dwang tot den bouw van een spoorwegstation in het IJ, het opzettelijk verkeerd gekozen tracé van het Merwedekanaal, zijn even zoovele voorbeelden van den Haag-schen onwil om Amsterdam te geven wat het behoeft.
De Amsterdamsche scheepvaart-magnaten hebben, ondanks dit alles en tegen dit alles in, in betrekkelijk weinige jaren de haven tot bloei weten te brengen. Vóór het intreden van de crisis behoorde ongeveer 65 procent van de Nederlandsche handelsvloot thuis in de Amsterdamsche haven, die jaarlijks door meer dan drie duizend zeeschepen werd bezocht. Er waren zelfs enkele van deze magnaten, die wel wat al te energiek zich betoonden, vooral zij, die den Koninklijken Hollandschen Lloyd bestuurden, welks ineenstorting een wonde in het maritieme en economische leven der stad heeft veroorzaakt, die nog open en schrijnend is.
De wereldcrisis en de daarmede in betrekking staande belemmeringen van het handelsverkeer, die het buitenland toepaste, zoodat Nederland, zij het schoorvoetend, moest volgen, hebben niet alleen de ontwikkeling van de Amsterdamsche haven gestuit, doch zelfs achteruitgang, en dit in niet geringe mate, veroorzaakt.
Men had het anders verwacht. De gemeente, bedacht op vooruitgang, wilde scheepvaart en handel tijdig geven wat zij zouden behoeven en legde millioenen ten koste aan voorbereiding tot, en gedeeltelijke verwezenlijking van den aanleg van nieuwe havens in het westen der stad. De toekomst zal moeten leeren, of deze uitgaven rendabel zullen worden. Zij zullen het zeker zijn, als de wereld haar bezinning herkrijgt en het vrije handelsverkeer in eere herstelt. Dan zal Amsterdams scheepvaart
15 225