najaar van 1929 de crisis deze industrie teistert en de concurrentie van het buitenland, waar het met de loonen ellendig is gesteld, zoo hevig is, dat de sterk ingekrompen nijverheid zich slechts met steun uit de openbare kassen kan staande houden. Naar het zich laat aanzien, zal er op den duur wel verbetering intreden; er is reden om aan te nemen, dat deze aloude, specifiek Amsterdamsche nijverheid niet, zooals werd geducht, uit onze stad zal verdwijnen.
Na 1870 is Amsterdam in industrieel opzicht wel vooruit gegaan, maar een werkelijk groot nijverheidscentrum is de stad toch niet geworden. Er is, afgezien van de heerschende crisis, ook geen vooruitgang te bespeuren. Veeleer zou er van achteruitgang gesproken kunnen worden. Zoo is er van de eenmaal bloeiende sigaren-industrie weinig meer overgebleven. Voor een deel kan dit ongetwijfeld worden toegeschreven aan de belemmeringen, die het buitenland in toenemende mate den uitvoer ook van dit product in den weg heeft gelegd en voortgaat te leggen, doch voor het grootste deel moet de oorzaak worden gezocht in den lagen loon-standaard ten plattelande, voornamelijk in Noord-Brabant, waarheen dan ook Amsterdamsche firma’s hunne bedrijven verplaatsten. Zoo is de bekende fabriek Karel I, te Eindhoven, van Amsterdamschen oorsprong. Hetzelfde verschijnsel doet zich in andere takken van nijverheid voor. In het verleden reeds werd de Amsterdamsche chocolade-fabriekvan Van Houten overgebracht naar Weesp. Een Amsterdamsche machitie-fabri-kant (de onderneming is thans ter ziele) verplaatste zijn bedrijf naar het Merwedekanaal bij Weesp. In de bosschen van Den Dolder ontmoet men een zeepfabriek. De zonen van een bekenden Amsterdamschen goudsmid stichtten een fabriek van zilverwerken te Zeist. Vele Amsterdamsche dia-mantfirma’s verplaatsten hunne zaken naar Antwerpen. Een nieuwe industrie verschijnt, de vervaardiging van kunstzijde; de fabriek wordt geplaatst niet in een havenstad, niet aan het voorheen zoo gezochte diep water, doch midden op de Veluwsche heide, te Ede. Aan deze dingen ligt de jacht op lage loonen, die men een achterlijke arbeidersbevolking kan opdringen, ten grondslag — en dan zoekt men het voornamelijk op de schrale zandgronden, waar het volk aan armzalige inkomens is gewend, zoodat het de loonen, die men in de stad niet zou kunnen aanvaarden, als zeer aanzienlijk beschouwt.
Zoo gaan de steden, vooral de groote, als centra van industrie niet vooruit en Amsterdam maakt daarop geen uitzondering. Weliswaar verrijst nu en dan een nieuwe fabriek, als de automobielfabriek van Ford, een be-hangselpapier-fabriek, een thee- en kofïie-industrie, maar zulke gebeur
224