selde. Het was haar altijd mogelijk hoogere loonen te betalen dan andere nijverheden, doch een ongekend en ongeëvenaard hoogtepunt werd bereikt in de jaren 1871—1876, de periode, die in het vak „de Kaapsche Tijd” wordt genoemd, omdat de voorspoed van die dagen te danken was aan den invoer van ruw diamant in belangrijke hoeveelheden uit de kort te voren ontdekte velden in Zuid-Afrika = de Kaap = de Kaap de Goede Hoop. In Joodsche kringen noemde men toen de diamantbewerkers „Kapers”. De omstandigheid, dat er werk was voor wellicht even vele duizendtallen arbeiders als er honderdtallen beschikbaar waren, leidde tot snelle en duizelingwekkende stijging der loonen, die tot honderden guldens ’s weeks opliepen.
Allerlei schromelijk overdreven verhalen nopens verkwistingen en uitspattingen, die de plotseling tot aanmerkelijken welstand gekomen diamantbewerkers heetten te bedrijven, deden de ronde, o. a. het belachelijke praatje, dat „de slijpers” muntbilletten van tien gulden in brand staken, ten einde aldus vuur voor hunne sigaren te verkrijgen. Tot den huidigen dag, dus na bijna zeventig jaren, zijn er in ons land nog heel wat menschen, die, op grond van deze en dergelijke fabelen, den diamantbewerkers van heden, die jaren na „den Kaapschen Tijd” geboren werden en wier loonen nooit hooger, dikwijls genoeg lager, dan eenige tientallen guldens zijn geweest, verwijten, dat zij in den goeden tijd hun geld hebben verbrast.
Ongetwijfeld hebben sommige „Kapers” dit inderdaad gedaan en anderen hebben stellig op te grooten voet geleefd, in de naïeve meening, dat de uitzonderings-toestand, waarin zij verkeerden, ten eeuwigen dage zou voortduren. Maar uit den band springen bij plotseling verkregen welstand en het gebrek aan vermogen tot onderscheiden tusschen hetgeen als blijvend kan worden beschouwd en hetgeen blijkbaar een tijdelijk karakter draagt, is niet het monopolie van hen, die toevallig diamantbewerkers waren toen het springvloed was. Er bestaan authentieke verhalen van Noord-Hollandsche boeren, die, toen het hun voor den wind ging, voor elk hunner dochters een piano kochten. Er bestaan soortgelijke betreffende de Zeeuwsche oester- en mosselen-kweekers, toen zij hun gouden tijd hadden. Dito aangaande de bloembollenkweekers. En wie herinnert zich niet de Oweeërs (oorlogswinst-makers) van een twintigtal jaren geleden en hetgeen zij met hun op vaak niet onbedenkelijke wijze verworven schatten uitvoerden, of heetten te hebben uitgevoerd?
In elk geval: van een „KaapschenTijd” is in de diamant-nijverheid sedert 1876 geen sprake geweest, dikwijls veeleer van het tegendeel, nu sinds het
223