gemeerd, te wachten op lading en vertrok eerst als het zulke in voldoende mate had verkregen. Men denke niet, dat daarbij de concurrentie van stoomschepen zich deed gevoelen. Want al is dit waarschijnlijk wel in zekere mate het geval geweest, zoo was het aantal lijn- en „wilde” booten in dien tijd toch zoo klein, dat slechts gering handelsverkeer in het spel kan zijn geweest.
De Wijkmeester deelt mede, dat er in zijne dagen slechts één fabriek van stoomwerktuigen bestond. Het was de fabriek, welke men hier die „van Van Vlissingen”, later „van Van der Made” noemde; wij kennen haar thans onder den naam van Werkspoor. Zij werd opgericht voornamelijk ten dienste van het verrichten van herstellingen aan stoomschepen; haar stichter was Paul van Vlissingen, een aanzienlijke figuur in het economisch leven der stad, o. a. directeur van de in 1825 opgerichte Amsterdamsche Stoomboot-Maatschappij, die haar later overdroeg aan een voor dit doel gevormde „Commanditaire Societeit”, wat wij nu een naamlooze vennootschap zouden noemen. Hij voerde van toen af de directie gezamenlijk met den heer Dudok van Heel.
Het aantal werklieden was aanvankelijk gering, eenige tientallen, in meerderheid Engelschen, daar Nederland toen zeer weinig metaalbewerkers, veel minder machinebouwers en bankwerkers bezat. In 1848 werkte zij echter reeds met 800 man, onder welke zich geen enkele Engelschman meer bevond.
Het ging de fabriek omstreeks het laatstgenoemde jaar voor den wind, hetgeen anderen er toe bracht soortgelijke inrichtingen, zij het op veel kleiner schaal, in het leven te roepen, zoo Dixon & Van Heukelom op de Zoutkeetsgracht (fabriek De Atlas) en Schutte & Weiler op den Kadi jk. Maar later, nadat de heer Van der Made directeur was geworden, ging het berg-af. Herhaaldelijk verkeerde de fabriek in nood en moesten financiers en industrieelen de koppen bijeen steken en gelden bijeen brengen, om haar voor ondergang te behoeden. Later ging het beter en de fabriek geraakte tot bloei, vooral toen de leiding in handen kwam van den heer Muysken en de ingenieurs Kloos en Triebels, welke laatste de fabricage van spoorweg-materieel (welke afdeeling later naar Zuilen, bij Utrecht, werd verplaatst) tot perfectie bracht.
De voornaamste tak van nijverheid, in het midden van de negentiende eeuw, was ongetwijfeld de diamantbewerking, naar hier ongeveer 1580 uit België overgebracht en sindsdien onafgebroken te Amsterdam uitgeoefend. Ook deze industrie was aan geduchte schommelingen onderhevig, zoodat het aantal arbeiders, dat zij werk verschafte, sterk afwis
222