Buiten deze bovengenoemde Ambachten zijn er in deze Stad nog veele voornaame Neeringen of Fabryken.”
Hij geeft van deze „neeringen of fabryken” een opsomming, die een totaal van niet minder dan 429 brengt. Hij heeft daarbij echter de molens medegerekend, hetgeen voor zijn tijd rechtmatig was. Er waren 8 chocolade-, 84 houtzaag-, 33 koren-, 1 mout-, 1 verfhout- en 3 loodwitmolens; de houtzaagmolens deelt hij zorgvuldig in „bovenkruyers” en „pal-trokken” in, doch het is niet duidelijk waarom hij dit doet, want de verrichtingen van beide soorten (de paltrokmolen is thans zeer zeldzaam) zijn gelijk.
Verder werden, volgens Meijers inventaris, omstreeks 1840, te Amsterdam gevonden: 5 diamantslijperijen, 1 azijnmakerij, 1 steentjesbakkerij, 1 loodasch-branderij, 8 bierbrouwerijen, 1 droogscheerderij, 3 fabrieken van behangselpapier en -doek, 2 katoendrukkerijen, 1 kunstplaatdrukkerij,
1 fabriek van „vervoerbaar gaz”, 1 fabriek van stoomwerktuigen, 1 waskaarsenfabriek, 1 kopergieterij, 1 ijzergieterij, 2 loodpletterijen, 3 hoeden-fabrieken, 3 kalanderijen, 23 leerlooierijen, 5 lijnbanen, 1 kina-maalderij,
2 suiker-raffinaderijen „welke door stoom bewerkt worden”.
De overige „fabryken”, die hij vermeldt, zou men tegenwoordig onder dit hoofd niet rangschikken. Er zijn, bij voorbeeld, 23 grutterijen bij. Bijzonder omvangrijk was de Amsterdamsche fabrieksnijverheid ongeveer een eeuw geleden dus niet. Maar, zegt Meijer, „het voornaamste der bedrijven van de Ingezetenen is de Koophandel.” Hieromtrent deelt hij de volgende bijzonderheden mede:
„Den Koophandel dan het voornaamste der Bedrijven van de Ingezetenen dezer stad zijnde, van meest alle Rangen en Standen, aanzienlijken en geringeren, daar Amsterdam zonder dezelve niets is en bijna geene andere bronnen van bestaan heeft, wordt verdeeld in Buiten- en Binnen-landsche Handel.
De Buitenlandsche of Zeehandel gaat over alle de bekende Gewesten der Wereld, vanwaar men geheele scheepsladingen ontvangt.
Ten tijde van onze Voorvaderen was den Buitenlandsche Handel van en naar deze stad zeer groot en aanzienlijk, waarvan men vermeld vind, dat van deze stad in het Jaar 1452 reeds wel 200 schepen ter koopvaart voeren en in 1500 kwamen 2 maal in het jaar 300 schepen uit de Oostzee aan en te Amsterdam maakte men 12000 stuks Lakens. In 1599 kwamen aldaar 640 schepen in April aan met koren, houten Masten, zij bragten wel 15000 Lasten goeds mede; berekend men nu ƒ40 voor vracht van het Last, dan verdiende zij aan vrachtloon ƒ600.000; om en bij 1600 verklaarde
217