tonmengers en -storters, ijzervlechters, heiers, grondwerkers enz. Daar zijn de kunst- en andere ambachten, welker beoefenaren de uiteen-loopendste dingen vervaardigen.
Daar zijn de goederenhandel, de effectenhandel, de verzekeringsmaatschappijen, de banken en kassiers-instellingen.
Bij dit alles behoort een leger van kantoorpersoneel.
Daar zijn de advocaten, de notarissen en de makelaars met hunne bedienden, de kantongerechten, rechtbank en gerechtshof met hunne rechters, raadsheeren, griffiers, ambtenaren van het openbaar ministerie, plus het personeel der griffies.
Daar is het stations-, trein- en ander personeel der spoorwegen, het personeel van veren, beurtschepen, binnenvaart en vrachtauto’s.
Daar zijn de rijks-, provinciale en gemeente-ambtenaren, de gemeentewerklieden, de onderwijzers, leeraren, hoogleeraren, lectors en andere bij het onderwijs, in al zijn geledingen, betrokkenen.
Daar zijn de winkeliers met hunne bedienden, de marktkooplieden en de venters.
Daar is ook het huispersoneel, dienstboden, huisknechten, chauffeurs enz. Daar zijn de verrichters van kleine diensten, glazenwasschers, schoorsteenvegers e. d., alsmede het personeel van hotels, koffiehuizen en restaurants, tuinlieden, hoefsmeden, kleermakers, modisten...
Een gonzende bijenkorf is de stad, al kunnen vele nijvere bijen thans ook geen honing vergaren.
Wijkmeester Meijer deelt vrij uitvoerig mede, hoe het met deze dingen in zijne dagen was gesteld. Hij vertelt ons, dat er, vóór hunne afschaffing in 1795, niet minder dan 51 Gilden in onze stad bestonden.
„Deze Gilden wierden bestuurd elk door 3, 4 of 5 Overlieden, en bezaten alle min of meer ,aanzienlijke Fondsen, waar uit dezelve een zeer groot aantal oude of zieken Gildebroeders onderhielden. Doch na den Jare 1795 en vervolgens wierden dezelve geheel vernietigd, de Fondsen vervielen, niemand behoefde meer aan dezelve te betalen, het stond een iegenlijk vrij, alle deze Ambachten uit te oeffenen, mits aan de Belasting op het Patentregt voldoende. Door de groote toevloed van vreemdelingen en de veele vrijheden aan hun toegestaan, om onverhinderd met alles te mogen rondloopen, kwam er een zeer groot verval in alle deze Ambachten, komende er een zeer groot aantal Meesters, maar zeer weinig werk voor alle deze, en door het buitenlands uitvinden van nieuwe werktuigen met mindere kosten, verliepen zommige van dezelve geheel tot niets. Hier nevens twee ingangen van hunne Gildehuizen, welke alle zedert verkogt zijn.
216