HET BEDRIJFSLEVEN
T ▼ ie, die een groote stad doorkruist, heeft niet een enkele maal gedacht over de vraag, hoe de honderdduizenden, die haar bewonen, in hun onderhoud voorzien?
Daar ligt het uitgebreide net van straten, grachten, pleinen en stegen —■ huizen in lange en korte reeksen; huizen van allerlei grootte, hoogte en vorm; oude huizen en nieuwe; heerenhuizen en verhuur-kazernes; villaachtige huizen en krothuizen; huizen voor één gezin en huizen met vier of meer „woonlagen”, verdeeld soms in voor- en achterwoningen — en in al die huizen menschen, in het eene weinige, in het andere dozijnen — en allen moeten op de eene of andere wijze aan den ruimen of schralen kost komen, uitgezonderd dan de betrekkelijk weinigen, die leven door bezit en de in onze dagen helaas maar al te velen, die leven van „den steun” (niet weinigen zeggen „het steun”), omdat voor hen de gelegenheid tot het verrichten van arbeid ontbreekt.
De bronnen van bestaan zijn vele en van velerlei aard.
Daar is de haven, met haar reeders, cargadoors, stuwadoors, bevrachters, boot- en kade- en dokwerkers, bedienaars van kranen en bokken, sleep-bootpersoneel, kanaalloodsen, zeelieden en wat niet al meer.
Daar is de nijverheid, de metaal-, hout-, steen- en diamantbewerking, de scheepswerven en droogdokken, de machine- en automobielfabrieken, de meelfabrieken, de fabrieken van sterke dranken en likeuren, de bierbrouwerijen, de suikerraffinaderijen, de fabrieken van zeep en parfumerie, van confectiekleeding en van regenjassen, van superfosfaat en andere meststoffen, van bitumineuse producten, drukkerijen en fabrieken van behangselpapier, chocolade-fabrieken en de hemel moge weten wat alzoo verder.
Daar zijn de bouwvakken — metselaars, timmerlieden, steenzetters, opperlieden, stucadoors, schilders, mozaïek-werkers, loodgieters, smeden, be-
215