Nieuwer-Amstel en Sloten op eigen gelegenheid tegen de stad aanleunende wijken bouwden, die allerlei ongewenschte toestanden deden ontstaan en latere stads-uitbreidingen aanmerkelijk bemoeilijkten.
Er is ten opzichte van dit alles, en veel meer dan dit, aanzienlijke verandering gekomen. De oude radicalen, Treub, Gerritsen en hunne volgelingen, waren de pioniers. Zij die na hen kwamen, hebben het werk voortgezet. De namen Tak, Tellegen en Wibaut treden hierbij op den voorgrond. De openbare diensten werden alle onder het beheer der gemeente gebracht. De nieuwste stadswijken werden met zorg ontworpen. Geneeskundige en gezondheidsdiensten werden tot hoogen trap van volmaking gebracht. Bad- en zweminrichtingen werden gesticht, parken en bosschen aangelegd. Aan de uiterlijke schoonheid der stad werd zorg gewijd, de schoone kunsten werden bevorderd en gediend. Dank zij deze en andere bemoeiingen werd Amsterdam een gemeente, die op velerlei gebied de best bestuurde in het buitenland voorbij streefde, de Neder-landsche tot voorbeeld strekt. De Amsterdammers hebben recht en reden trotsch te zijn op hun stad en de wijze waarop zij wordt bestuurd.
Ook op het stuk van de regeling van het verkeer, dat binnen betrekkelijk weinige jaren zeer aanzienlijk is toegenomen en in een oude vestingstad zeer moeilijk valt te regelen, doet Amsterdam zich met eere kennen. Een voortreffelijk geschoolde verkeers-politie verricht met beleid en tact haar taak en een wel-doordacht stelsel van verkeersseinen waakt op tal van punten tegen wanorde en onheilen.
Het is sinds geruimen tijd een soort van mode geworden, geringschattend te oordeelen niet slechts over de verrichtingen van vertegenwoordigende lichamen, doch ook over de leden dezer colleges en de wijze waarop zij hun taak vervullen. Het wordt dan, zooals gebruikelijk is, voorgesteld, alsof het voorheen daarmede anders, en natuurlijk veel beter, is gesteld geweest. Wijkmeester Meijer stelde ongeveer 1840 „den ouden tijd” hoog boven dien waarin hij leefde en werkte. De lieden van heden stellen op hun beurt Meijers tijd hoog boven dien waarin zij op aarde rondloopen. Zoo is het altijd geweest en zoo zal het ook wel blijven. Wat ons gemeentebestuur betreft, moge het aantal gekleede jassen en plechtstatige redevoeringen grooter zijn geweest dan tegenwoordig in den gemeenteraad wordt gezien en gehoord — wie de daden en verrichtingen van dezen tijd vergelijkt met die van het met heimwee nagestaarde verleden, onbevangen en onbevooroordeeld, kan tot geen andere slotsom komen, dan tot deze: er is alle reden om tevreden te zijn met hetgeen is en geen enkele reden om te verlangen naar hetgeen is geweest.
211