veld ruimen voor commissaris des konings (of der koningin). De Grond- en andere wetten wemelen van vreemde en bastaard-woorden, die zeer wel door Nederlandsche te vervangen zouden zijn. Toen eenige jaren geleden de departementen van oorlog en marine vereenigd werden, ontving het nieuwe departement niet den naam van landsverdediging, doch van defensie. Wij hebben departementen van justitie en van financiën. Waarom wij ons niet verheugen in het bezit van ministeries van interieur en vari vreemde affaires, in plaats van binnen- en buitenlandsche zaken, is een raadsel. Maar nu gaan wij verder.
Bij den aanvang van het hier behandelde tijdperk waren de bemoeiingen van het gemeentebestuur naar verhouding weinig talrijk en van eenv m-digen aard. Afgezien van hetgeen op administratief gebied moest geschieden, bepaalde het stads-, later gemeentebestuur, zich tot de openbare diensten: verlichting, reiniging, politie, openbare werken, brandweer enz. en dit meestal op vrij primitieve wijze. Armenzorg, geneeskundige en gezondheidsdienst e. d. werden niet geheel verwaarloosd, maar hetgeen te dezen aanzien geschiedde, was, gezien in het licht der thans dienaangaande geldende begrippen, luttel en onvoldoende.
Toen vergrooting van de stad in de tweede helft der 19de eeuw onvermijdelijk was geworden, werd weliswaar een poging gedaan om haar stelselmatig en rationeel, volgens wel-overwogen plannen, te doen geschieden, doch het bleef bij ontwerpen. Van een behoorlijke grond-politiek was geen sprake, van toepassing van deugdelijke uitbreidingsplannen evenmin. Grond- en bouwspeculanten werd in de practijk de vrije hand gelaten. Bouw- en woningtoezicht lieten alles te wenschen over en aan het ui terlijk van hetgeen men bouwde, werden bitter weinig of in het geheel geene eischen gesteld. Aldus ontstonden de in alle opzichten ellendige wijken, die de oude stad aan alle kanten omsluiten. De stad moest op den duur worden voorzien van allerlei benoodigdheden: gas, water, middelen van verkeer, telefoon, electriciteit. Productie, levering en beheer werd overgelaten aan concessionarissen, die weliswaar bepaalde gedeelten hunner winsten aan de gemeente moesten afstaan, doch zich overigens alle voordeelen konden toeëigenen. In een enkel geval waren de concessievoorwaarden zoo onoordeelkundig gesteld, dat de gemeente, wilde zij het bedrijf overnemen, voor allerlei vrijwel waardelooze outillage buitensporige bedragen moest betalen.
Tot uitbreiding van het buiten de veste zeer beperkte grondgebied der gemeente werden geene, of onvoldoende stappen bij de regeering gedaan, hetgeen tot gevolg had, dat de toenmalige gemeenten Watergraafsmeer,
210