in voortzette) en Bauer (onder het pseudoniem Rusticus). Met Taks dood in 1907 hield het blad op te bestaan.
Een ander merkwaardig weekblad uit die dagen was De Lantaarn, vooral om de geestige platen van den vroeg gestorven Holswilder, wiens Peeren-burg, de prachtige caricatuur van het postkantoor, zelfs nu nog spreekwoordelijk is.
Een curieus weekblad was Asmodee. Wie het eigenlijk redigeerde, is nooit bekend geworden, maar het is vrij zeker, dat de drukker en uitgever, S. van Gelder, ook verantwoordelijk was voor den inhoud, die nagenoeg uitsluitend bestond uit diffamatie van bekende personen op allerlei gebied, waarbij het private leven der aangetasten geenszins ontzien, veeleer in tiet bijzonder behandeld werd. Velen, belust op schandaal, waren op het blad geabonneerd. In de café’s lag het niet op de leestafel; de kellners droegen het in den zak; wie het wilde lezen, moest er hun om vragen. Het blad is sinds lang ter ziele.
Van gelijken aard, only more so, was een periodiek, De Amsterdamsche Lantaren geheeten. Redacteuren en uitgevers waren eenige anarchisten, die tevens het eerzame beroep van flesschentrekker uitoefenden. Een lang leven was het niet beschoren.
Van de vele week- en maandbladen, die hier tegen het einde van de 19de en het begin van de 20ste eeuw verschenen, zijn er weinige meer over. Misschien is het alleen De Groene, die zich heeft kunnen handhaven, ondanks de perikelen, die zij heeft gekend. Zoo werd een van De Koos op-opvolgers ontslagen wegens zijn gebleken neiging naar het communisme. Eenige medewerkers volgden hem vrijwillig in de wildernis. Zij stichtten een nieuw weekblad, dat zij, alweder naar de kleur van het omslag, De Mosgroene noemden. Het had een kortstondigen levensduur.
Voor hetgeen op dit gebied verdween, is niet veel in de plaats gekomen. Wel wemelt het van sport-, film-, amusements-en soortgelijke weekbladen, alsmede van nabootsingen van het Britsch-Amerikaansche magazine, maar behalve De Groene kent Amsterdam thans geen periodiek, welks standing met die van vroegere kan worden vergeleken.
208