dacht vestigde op het aanlokkelijke schouwspel, dat de Bühne aanbood. Men betaalde er geen entrée, doch wel een betrekkelijk hoog bedrag voor zijn grocje of biertje. De voornaamste bronnen van inkomsten der directeuren echter waren deze: i. de verkoop van stoffen voor tooneelcostumes aan de artisten tegen woekerprijzen; de vrouwen mochten nergens anders koopen; 2. de soupers, bestaande uit een busje zalm of sardines met wat brood, plus den noodigen drank, liefst champagne, die de artisten verplicht waren te gebruiken, als bezoekers, gewoonlijk Engelsche scheepsofficieren, met het oog op intiemere kennismaking, dit verlangden en waarvoor zij buitensporige prijzen hadden te betalen.
Eén van deze inrichtingen, waar echter geen 5öA«e-uitstallingen, noch afpersingen van den zooeven genoemden aard voorkwamen, was Victoria, in de Nes bij de Damstraat. De eigenaar, Gerson geheeten, een dikke Duitscher, troonde achter het buffet; zijn zoon Nico dirigeerde het orkest. Er traden goede artisten op, doch de groote aantrekkingskracht was Michel Solser, een komisch talent van den eersten rang; hij is jong gestorven, waardoor ons tooneel werd beroofd van een waarlijk genialen acteur. Zoolang Solser in Victoria optrad, stroomde het publiek er heen. Entrée werd niet geheven, was begrepen in den prijs der dranken. Dit leidde er toe, dat velen den geheelen avond bleven „op één glas bier,” zooals men dit noemde, hetgeen de directie noopte tot den volgenden maatregel: ongeveer half tien daverde ’s heeren Gersons stem door de zaal: „Tien minoeten pauze, tweede consoemptie!” waarop sommigen den aftocht bliezen, anderen het offer van dertig centen op het altaar der kunst brachten. Solser ging later aan het tooneel, hetgeen voor Victoria een nekslag was. Na eeni-gen tijd moest Gerson het opgeven. Gedurende een poos diende het gebouw tot hippodróme. Thans zijn er kantoren gevestigd.
In de tweede helft van de jaren ’90 bezat Amsterdam een voor die dagen moderne amusements-gelegenheid, die Habsburg heette, doch „de Haps” werd genoemd en in de Quellijnstraat was gelegen. Zij was min of meer een navolging van de beroemde cabarets van De Salis en Aristide Bruant, op het Parijsche Montmartre. Er trad één man op, Eduard Jacobs genaamd, een loot van een familie van musici. Hij droeg, aan het klavier gezeten, liederen, tekst en muziek van eigen maaksel, gewoonlijk van scabreuzen aard, doch nooit zouteloos en dikwijls vol levenswijsheid, voor. Men zou hem den eersten „vertolker van het levenslied” kunnen noemen; hij heeft hier het genre geschapen. Eenige jaren lang had hij aanmerkelijk succes. Toen het verminderde en ten slotte verdween, trok hij naar Antwerpen, waar hij het Cabaret du Katakloum stichtte. Ook dit duurde niet
201