tal wielrijders nam toen aardig toe, doch was niet te vergelijken met hetgeen Amsterdam tegenwoordig op dit stuk te aanschouwen geeft. Een fiets kostte in die dagen twee a drie honderd gulden en viel dus slechts binnen het bereik van hetgeen men „de beter gesitueerden” noemt. Maar groot was al dadelijk de belangstelling voor het wielrennen. Achter het Rijksmuseum bevond zich de baan en daarheen stroomde het publiek, om zich te verlustigen in de prestaties der renners, die zich op hooge bicycles, op safeties, driewielers en tandems met elkander maten, waarbij de wedstrijden op lange baan gereden werden met wat men „levende gangmaking” noemde: tandems, triplets, quadruplets, quintuplets en zelfs septuplets — want motoren waren in die dagen onbekend. De wielrenners van dien tijd waren de beste van Europa, onoverwinnelijk. Tot den dag van heden zijn de namen Kiderlen, Cordang, Beisenherz, Adler, Scheltema Beduin, Kingma en vooral Jaap Eden beroemd gebleven. De Nederlandsche wielrenners hebben trouwens de roemrijke traditie gehandhaafd. Tot in onzen tijd behooren zij tot de coryphaeën van hun sport. In den loop der jaren is de beoefening van en de belangstelling voor de sport zeer toegenomen. Talrijk zijn de voetbalclubs, vereenigd in den Amsterdamschen Voetbalbond. Vereenigingen als Ajax en Blauw-Wit, van welke de eerstgenoemde in de Watergraafsmeer een prachtig stadion bezit, behooren tot de eerste des lands. Naar eiken wedstrijd van beteekenis stroomt het publiek in duizendtallen, naar de klassieke wedstrijden Hol-land-België e. d. in tienduizendtallen. Het Stadion, gebouwd ten behoeve van de hier in 1928 gehouden Olympische Spelen en dat een ander verving, is dan ook te klein geworden; het wordt aanmerkelijk vergroot. De dagbladen wijden kolommen, zoo niet bladzijden, aan de sport en talrijk zijn de bijzondere sportperiodieken.
Voornamelijk is hierbij het voetbalspel in het geding, dat een ware volkssport is geworden. Maar de belangstelling gaat ook uit naar athletiek, tennis, hockey en andere spelen; naar cricket het minst, doch naar het zwemmen aanmerkelijk meer dan voorheen, nu de Nederlandsche, ook de Amsterdamsche, zwemmers, doch vooral zwemsters, tot de besten ter wereld behooren. Rotterdam heeft op dit gebied den voorrang, doch Amsterdam kan toch ook bogen op vermaardheden als Nida Senff en Tini Wagner. Maar het verheugendste is, dat er thans oneindig meer gezwommen wordt dan voorheen. In schrijvers jeugd waren zij, die de zwemkunst machtig waren, weinig talrijk. Thans zijn wellicht de niet-zwemmers in de minderheid, hetgeen zeker van het jonge geslacht kan worden gezegd. De gemeente heeft tot de bevordering van de lichamelijke ontwikkeling
13