Terzelfdertijd begon men op bescheiden schaal het boksen te beoefenen en ook hierbij waren Joodsche liefhebbers in de meerderheid. Ook in Engeland, en later in Amerika, waren Joden in de bokssport zeer op den voorgrond getreden; Daniël Mendoza was de grondlegger van het „wetenschappelijke” boksen en namen als Belasco, Ted (Kid) Lewis, Dutch Sam (J. S. Elias), Bendigo en Max Baer zijn sterren vari de eerste grootte aan den boksershemel.
Het bleef echter niet daarbij. Het was de groote sportsman Mulier, die, eveneens ongeveer een halve eeuw geleden, uit Engeland het voetbalspel hier invoerde. Gelijktijdig werd vandaar het cricketspel geïmporteerd en weldra volgden athletiek en tennis.
Het waren aanvankelijk slechts jongelieden uit den aanzienlijken en uit den vermogenden middenstand, die er zich op toelegden — en hun aantal was niet groot. Het was een wereldje op zich zelf. De groote massa der Amsterdammers wist zelfs niet dat het bestond. De dagbladen maakten er nagenoeg geen melding van. Hoe het met de belangstelling voor deze dingen was gesteld, kan uit het volgende worden afgeleid:
De voornaamste voetbal-vereeniging van een veertigtal jaren geleden was R.A.P. Zij had een terrein aan de Schagerlaan, in de Watergraafsmeer, een stuk weiland, waarop het speelveld was afgezet door op ijzeren stangetjes uitgespannen touwen; daaromheen een plankier van één plank breedte, ten dienste van het belangstellende publiek, dat zelden meer dan een honderd man of zoo sterk was. Zoo was het gesteld bij de grootste voetbalclub; bij de weinige andere was het navenant.
De jongelieden, die zich op athletiek, voornamelijk hardloopen, toelegden, deden zulks achter het Rijksmuseum, op terreinen en banen, die men thans als schrikwekkende curiositeiten zou beschouwen. Van belangstelling voor hunne verrichtingen bij het publiek was in het geheel geen sprake. Aan de zeer beperkte beoefening van cricket- en tennisspelen werd hoegenaamd geen aandacht geschonken.
Anders was het gesteld met de wielersport. Waarschijnlijk zullen ook wel een zestig of zeventig jaren geleden eenige Amsterdamsche jongelui hunne ledematen hebben gewaagd op houten boneshakers met ijzeren banden, doch ook het aantal dergenen, die de uit Engeland ingevoerde hooge bicycles beklommen, was gering. Anders werd het toen de eerste safeties, de veiligheidswielers, voorloopers van het tegenwoordige rijwiel, hun intrede deden en zeker toen na eenige jaren de dunne, massieve rubberbanden plaats maakten voor de luchtband. Zij werden roovers genoemd, omdat de eerst ingevoerde het merk Rover (= zwerver) droegen. Het aan
192