gesubsidieerd. Het was aanvankelijk gevestigd in een gebouw op de Nieuwe Achtergracht bij het Weesperplein. Vandaar werd het verplaatst naar het beroemde Huis met de Hoofden, op de Keizersgracht. Sinds eenige jaren is het gevestigd in een fraai, voor het doel gebouwd en ingericht gebouw aan de Bachstraat. Achtereenvolgens waren directeuren Daniël de Lange en Julius Röntgen. Thans berust de leiding bij Sem Dresden. Aan het Conservatorium is een Muziekschool verbonden, waar middelbaar onderwijs in de muziek wordt gegeven.
Er bestaat bovendien een Muziek-Lyceum, gevestigd in een eigen gebouw aan het Albert Hahn-Plantsoen en er zijn ook eenige particuliere muziekscholen.
Van der Vijver gewaagt van betere verzorging van het „onderwijs in den zang”, gegeven „in de armen- en tusschenscholen”, waaruit mag worden opgemaakt, dat in de scholen van hoogere orde reeds te voren aan dit onderricht eenige zorg werd besteed. Men moet zich daarvan geen te hooge voorstelling maken. Het „onderwijs in den zang” bepaalde zich tot het leeren van liedjes. Een veertigtal jaren geleden kwam eenige verbetering, door de invoering, onder den drang vooral van Daniël de Lange, van de methode Galin-Paris-Chevé, waarbij het notenschrift werd vervangen door cijfers, hetgeen het lezen van zangmuziek en het toon-treffen vergemakkelijkt. Het ideaal werd daarmede echter geenszins bereikt, want het zang-onderricht werd, en wordt grootendeels nog, gegeven door de onderwijzers, wier muzikale kennis, opgedaan op kweekscholen enz., gewoonlijk niet groot is en die zeker niet de werkelijke techniek van den zang beheerschen. Sinds eenige jaren is echter eene daartoe in het leven geroepen vereeniging doende het zang- en muziek-onderricht op lagere en andere scholen door bevoegden te laten geven. Er is reeds een en ander gezegd over het lage peil, waarop de volkszang hier nog steeds staat. Eenige jaren geleden is men er, in navolging van Amerika en Engeland, toe overgegaan, bij voetbal-wedstrijden en andere gelegenheden, community singing in te voeren. Het heeft niet lang geduurd; thans hoort men in zulke bijeenkomsten weinig anders dan „We zijn niet bang” of „We gaan naar Rome”.
Het is bezwaarlijk na te gaan, hoe het met de beoefening der muziek, anders dan door musici van beroep, is gesteld. De algemeene indruk is wel, dat zij is achteruit gegaan en nog wel in belangrijke mate. Dit kan worden afgeleid uit drie gegevens, te weten: i. de muziek-leeraren klagen zeer over vermindering van hunne lessen; 2. de invoer van muziekinstrumenten, in het bijzonder van piano’s, is aanmerkelijk geringer dan
188