eener Commissie, op de Prinsengracht bij de Leidsche straat werd geopend voor hen, die aanleg hadden voor toon- of zangkunst, en in lezen, schrijven en rekenen bedreven waren. Wijders werden — tot meerdere voldoening aan ’s Konings verlangen, om den bloei der nationale zangen toonkunst te bevorderen — de aan te nemen kweekelingen over het algemeen onderscheiden in: A: Zoodanigen, aan welke eene zekere toelage zou kunnen worden toegestaan. B. Zoodanigen, welke het onderwijs gratis, doch zonder genot van eenige toelage, zouden ontvangen. C. Zoodanigen, welke verkiezen mogten eene billijke schadeloosstelling aan de kas der school uit te keeren.
De bewijzen van den goeden uitslag dezer instelling zijn voorhanden. Menig kweekeling zag men, na volbragten leertijd, in orchesten en schouwburgen opgenomen, of bij partikulieren als onderwijzers of onderwijzeressen geplaatst; waarom het een zonderling verschijnsel is geweest, dat deze school na verloop van zestien jaren werd opgeheven.
Ondertusschen ging daardoor deze goede instelling niet verloren; want dadelijk werd zij door eene Stedelijke Muzijk- en Rangschool vervangen, welke tot op den huidigen dag bloeit, en den verdienstelijken Ridder J. G. Bertelman aan haar hoofd heeft. De kweekelingen, in deze school opgenomen, betalen veertig gulden in het jaar, en ontvangen daarvoor onderwijs: in de theorie der muzijk, in den zang, op deforte-piano, op de viool, in de compositie en op koperen en houten blaas-instrumenten. Benevens de schoolgelden der leerlingen geniet deze inrigting bijdragen vanwege de Provincie en de Stad Amsterdam.
Alhoewel reeds in 1822 alhier eene Maatschappij van Toonkunst, onder de zinspreuk : Het Volmaakt Accoord bestond, in welke Maatschappij onze verdienstelijke toonkunstenaar B. Koch eene verbeterde leerwijze met de meloplaste had ingevoerd, komt het ons echter voor, dat de Koninklijke Muzijk- en Zangschool in het bijzonder den grondslag heeft gelegd tot een meer algemeen onderwijs in den zang te dezer stede. Sedert dien tijd toch heeft men in de armen- en tusschenscholen het onderwijs in den zang met meer zorg behandeld, en is er in het algemeen eene zucht voor maatgezang geboren, welke door zangvereenigingen voor meer gevorderden in jaren en door bijzondere zangscholen voor de jeugd, in volmaking is toegenomen en het volksgezang ten minste de schors van ruwheid heeft doen verliezen.”
Ook de Stedelijke Muziekschool is in den loop der jaren verdwenen. Thans bezitten wij echter een Conservatorium der Muziek, gesticht door de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst en van overheidswege
187