als zij bijna zonder uitzondering zijn, bezaten groote zangvereenigingen. Een was zelfs zoo groot en bemiddeld — zij heette Oefening baart Kunst — dat zij er toe overging een eigen concertgebouw te stichten, Plancius ge-heeten, in de Plantage Kerklaan; het heeft vele j aren als zoodanig dienst gedaan, werd, nadat Oefening had opgehouden kunst te baren, dienstbaar gemaakt aan vergaderingen e.d. en is thans taxi-garage. De leden hadden voor deze vereenigingen groote persoonlijke en geldelijke offers over Zij brachten aanzienlijke sommen bijeen ten behoeve van het organiseren van zangwedstrijden, of van het deelnemen aan buitenlandsche concours, waartoe zij vaak beroepszangers bij het koor inlijfden. Tusschen tteze vereenigingen heerschte groote rivaliteit, waarbij zich ook het standsverschil deed gelden.
De mannenzang is thans grootendeels verdrongen door het gemengde koor; een voorname vereeniging tot beoefening van dezen zang, Apollo genaamd, heeft zich weten te handhaven. Er zijn nog wel meer, doch hunne prestaties hebben gewoonlijk weinig beteekenis.
Een instelling van groote beteekenis is de Kunstkring Voor Allen, die haren talrijken leden eiken winter, voor matige abonnementsprijzen, reeksen concerten en uitvoeringen aanbiedt en daar de beste vocale en instrumentale solisten, quartetten enz. doet optreden.
Bij de behandeling van het muziekleven komt uiteraard ook het muziekonderwijs aan de orde.
Van der Vijver, schrijvende in 1848, deelt dienaangaande het volgende mede:
„Ook het jaar 1827 zag eene nuttige inrigting, onder de benaming van Koninklijke Muzijk- en Zangschool, tot stand komen.
Wij moeten het bekennen, dat ondanks de door God bekroonde poging tot een verbeterd volks-onderwijs in ons Vaderland, ten minste één tak, die van toon- en zangkunst, is achterlijk gebleven. Wie, die harmonie en muzijk waardeert, voelt zich niet geschokt door het schreeuwen en tieren der volkshoopen, wier lied en geluid even bandeloos zijn. Wie zal het ontkennen, dat het psalmgezang in de meeste Protestantsche Kerken het hart koud laat en de ooren kwetst door verwaarloozing van pauze en maat, bij gebrek aan theoretische kennis. Een en ander gaf aanleiding, dat eenige ingezetenen, ondersteund door de Maatschappij Tot Nut van ’t Algemeen, zich vereenigden om de volksbeschaving, ook door voorlichting en onderwijs in zang- en toonkunst, te bevorderen. Hunne pogingen, daartoe almede bij ’s Lands Bestuur aangewend, hadden het gevolg, dat den 1 Januarij dezes jaars een Koninklijke Muzijk- en Zangschool, onder toezigt