was toen echter geen opera-gezelschap meer rijk. Maar er werden wel opera’s ten gehoore gebracht. Want ’s Gravenhage bezat een Fransche Opera, die eiken Dinsdagavond den Stadsschouwburg bespeelde, en Rotterdam (toen het voornaamste centrum van het muziekleven des Iands) een Duitsche, die eiken Vrijdagavond in het Paleis voor Volksvlijt optrad — beide uitsluitend des winters.
Zij hadden elk hun eigen publiek. Weinigen bezochten beide opera’s.
De Fransche troep vertolkte het gewone répertoire van groote opera en opéra comique dier dagen, Meijerbeer, Halévy, Gounod, Thomas, Bizet enz., de Duitsche de klassieke werken van Mozart, Von Weber, Beethoven, komische Oper, en ook Wagner, doch van hem alleen Tannhaüser en Lohengrin. (In de jaren ’80 gaf een reizend gezelschap, onder Angelo Neumann, in het Paleis voor Volksvlijt, uitvoeringen van den Mbelungen-cyclus.)
In de Fransche opera schitterden Vitaux, Lhéry, Séguin, Mme. Laville-Ferminet—in de Duitsche Conrad Behrens, Paul Haase, Antonia Mielke, Mevr. Jaïde, Kathi Betaque, Selma Kempner.
Hoe de Duitsche artisten het uithielden in het ijskoude Paleis, mag een wonder heeten. Schrijver dezes woonde er eenmaal een opvoering van Meijerbeers Die Afrikanerin bij; het laatste bedrijf speelt op een tropisch eiland; décor: palmen en exotische bloemen; belichting fel en scherp, tropische zon — doch bij elke noot, die gezongen werd, zag men dampwolken uit de monden der zingenden opstijgen.
De Duitsche opera verdween het eerst; eenige jaren later volgde haar de Fransche.
Maar intusschen was in den Parkschouwburg de eerste Hollandsche Opera, directie J. G. de Groot, verschenen. Zij begon met de vertooning van eenige hier nog onbekende operettes, doch ging weldra tot het uitvoeren van opera’s over, de teksten in gewoonlijk allerafschuwelijkstNederlandsch en jammerlijken versbouw vertaald. Maar zang en muziek waren goed. Het succes was dan ook ettelijke jaren groot. De namen van vele der artisten leven nog heden voort: de dirigenten De la Fuente en Kees van der Linden, de zangers en zangeressen Henri Albers (die later tot de beste leden van de Parijsche Opéra Comique behoorde), Désiré Pauwels, Jos. M. Orelio, Jos. Thijssen, Joh. Schmier, A. Alexanders, Henri Engelen, Cor Schmidt, Mevr. Engelen-Sewing, Mevr. Thijssen-Bremerkamp, Louise Kiehl, Mevr. LohofF (Faniëlla), Mevr. Coini (Fanny Francisca) en anderen.
Ook deze onderneming ging ten slotte te gronde. Kees van der Linden
183