gegeven door verschillende orkesten, op Woensdagavonden en op Zondagmiddagen, des zomers in den tuin, des winters in de zaal. Zij waren zeer in trek, behoorden tot het uitgaansprogram van den deftigen Amsterdammer. Men genoot de muziek, zag en werd gezien. Jonge paartjes zochten de schemerlaantjes op en bij de middagconcerten maakte het kindervolk den geheelen tuin onveilig en de muziek bij wijlen onhoorbaar. Ook deze geneugten zijn in de draaikolk der tijden verzwolgen.
Zooeven werd gezegd, dat er thans slechts één orkest in de hoofdstad is. Daarmede werd dan bedoeld: een beroeps-orkest. Want dilettantenorkesten zijn er in overvloed. Als nummer één van hen mag stellig gelden de Studenten-Muziekvereeniging Sweelinck, dat altijd een goeden naam heeft gehad en hem nog steeds waardig is. De harmonie- en fanfarecorpsen zijn even bezwaarlijk te tellen als Borgers tranen het waren. Er zijn er van de Post, van de Politie, van de Brandweer. Er zijn er van beoefenaars van een zelfde beroep en zelfs van werkenden in een zelfde fabriek. Er zijn politieke, er zijn neutrale, en er zijn er van buurtgenooten. De Hollandsche liefhebberij in apartjes komt ook hier tot haar recht. Zij hebben echter dit met elkander gemeen, dat zij alle oorverdoovend zijn. Sommige van deze corpsen spelen wel, of dikwijls, bij boottochten, voetbal- en andere wedstrijden en diverse feestelijkheden, en dit stellig niet geheel belangeloos, zoodat zij den rechtmatigen toorn opwekken van zich benadeeld achtende beroeps-muzikanten, die het dan ook aan protesten tegen dit euvel niet laten ontbreken.
De straat-orkestjes, gemeenlijk oempa's genoemd en de eenloopende muzikanten, die nota bene voor de politie bekwaamheidsproeven moeten afleggen, bij welke echter geen conservatorium-eischen worden geste ld, voltooien het beeld van de instrumentale muziek in al hare geledingen. Wenden wij ons nu tot de vocale muziek, dan komt het eerst de opera in aanmerking — al is daarbij uiteraard ook de instrumentale betrokken. Het eerste trekt dan het merkwaardige feit de aandacht, dat Amsterdam geen opera bezit.
Uit Van der Vijvers notities is gebleken, dat een eeuw geleden Hollandsche, Fransche, Duitsche en Italiaansche zangspelen werden ten gehoore gebracht. Die tijd is lang voorbij. De Italiaansche opera schijnt het langst in het leven te zijn gebleven, want schrijver dezes hoorde daarvan in zijn jeugd nog wel spreken als van iets dat men niet lang geleden had gekend. Er werd zelfs nog gesproken van eene beroemde Hollandsche operazangeres, Rosa de Vries genaamd, wier zoon, Maurice de Vries, een even beroemde baritonzanger aan de Parijsche Groote Opera was. Amsterdam
182