in den tuin, waren zeer gerenommeerd; de beste solisten traden er op. De tuin-concerten geven aanleiding tot de opmerking, dat de strijkers onder de orkest-musici in dien tijd ook een blaasinstrument moesten kunnen bespelen; want in de open lucht werden zoogenaamde harmonie-uitvoeringen gegeven, waarbij uitsluitend houten en koperen blaasinstrumenten worden gebruikt.
Toen het Paleis voor Volksvlijt ophield uitsluitend of hoofdzakelijk tentoon-stellings-gebouw te zijn en vermaaksinstelling werd, ging de directie er toe over een eigen orkest samen te stellen. Het werd gesteld onder leiding van Johan M. Coenen. Des zomers gaf het concerten in den tuin, voornamelijk volksconcerten; des winters eiken Donderdagavond klassieke concerten. Een van de groote aantrekkelijkheden van deze concerten was de geregeld op de programma’s voorkomende orgel-bespeling door den slechts weinige jaren geleden gestorven voortreffelijken organist J. B. de Pauw, Belg van geboorte, doch nagenoeg zijn geheele leven hier gevestigd en o.a. hoofdleeraar aan het Conservatorium.
Het ging bij de klassieke concerten gemoedelijk toe. Men kwam en ging naar believen en terwijl Bach, Beethoven of Mozartwerd gespeeld, dronk men zijn kopje thee of zijn glaasje bier, die ook gedurende de uitvoering werden geserveerd. Overigens moest men wel een enthousiast muziekliefhebber zijn, om deze concerten bij te wonen, want de aanwezige kachels konden, als het maar eenigszins koud was, de geweldige, hooge, holle zaal, met haar glazen dak, slechts zeer onvoldoende verwarmen. Maar dezulken waren onder de Amsterdammers blijkbaar zeer talrijk, want de concerten werden druk bezocht.
Het Paleis-orkest leverde de muziek voor de reeds genoemde balletten en voor de uitvoeringen van de Duitsche Opera uit Rotterdam (waarover later); bovendien fungeerde het als kapel van de Schutterij.
Toen het Concertgebouw was gesticht en het orkest dezer instelling, waartoe vele van de beste elementen van het Paleis-orkest waren overgegaan, uitvoeringen bleek te geven van een graad van volmaaktheid, hier te voren onbekend, kwamen de klassieke concerten in de verdrukking. Ten einde deze concurrentie het hoofd te bieden, trachtte men de concerten op hooger peil te brengen en wel door Coenen smadelijk en onverdiend aan den dijk te zetten en Richard Hol aan het hoofd van het orkest te plaatsen. Een paar seizoenen hield men de zaak aldus gaande, doch de ondergang was onvermijdelijk. Het Paleis hield opmuziek-centrumtezijn. Het orkest constitueerde zich toen op coöperatieven grondslag tot zelfstandige inrichting, met Wedemeijer als directeur, onder den naam
180