om niet te spreken van De Graaf de St. Germain, de duivel van Parijs en Dt bende van Rocambole. Het derde stond in de Elandstraat.
De Plantage, het oude oord van vermakelijkheden, bezat dus twee schouwburgen. Een daarvan verdween, de Schouwburg-Loge, maar zij zou er drie voor in de plaats krijgen: het Theater Prot, thans Rika Hopper Theater, den Parkschouwburg en den Artis-Schouwburg, thans Hollandsche Schouwburg.
De stichter van den eerstgenoemden schouwburg was Gustave Prot, een Belgische of Fransche decoratieschilder. Hij introduceerde er de Fransche operette, die van Offenbach, Planquette enz., vele jaren lang, met nooit falend succes. Hij bracht een uitnemenden troep bijeen: Kelly, Kreeft, Kiehl, Lageman, Buderman, Van Beem, mevr. Buderman-van Dijk, mevr. Bouwmeester-Clermont. Deze en andere artisten, onnavolgbare vertolkers van het genre, vierden ware triomfen in zulke kostelijke dingen als: De Jonge Hertog, De Mascotta, De Dochter van den Tamboer-Majoor, De Kleine Faust, Rip, De Klokken van Corneville, Surcouf de Kaper, Girojlé-Girojla, De Musketiers, Het Groene Eiland enz. Na vele jaren van welgeslaagde samenwerking, viel de troep uiteen. De beste artisten van het gezelschap gingen voor eigen rekening den nabijgelegen Artis-schouwburg bespelen en daar ook Engelsche operettes vertoonen. Zij hielden het eenige jaren uit, doch moesten op den duur kamp geven. Prots theater kwam in andere handen; er werd van alles vertoond, doch vooral scabreuze kluchten en prul-operettes als Hittepetit. Ten slotte werd het verbouwd, herdoopt tot Rika Hopper-Theater. De peetmoeder speelde er eenigen tijd met een eigen troep. Thans wordt het nu aan het eene, dan aan het andere gezelschap verhuurd.
De Artis- of Hollandsche Schouwburg dankt zijn ontstaan aan het optreden van een architect, die met veel misbaar verkondigde, dat hij Amsterdam met ongekend fraaie gebouwen zou verrijken. Hij bracht het tot twee wonderwerken: het café Het Gouden Hoofd, op het Rembrandtsplein, en den genoemden schouwburg, aan welken den naam van Nederlands grootsten tooneelschrijver, Herman Heijermans Jr., onverbrekelijk is verbonden.
Hier zetelde de troep van Van der Horst en Ternooy Apèl, waartoe o.a. behoorden mevr. De Boer-van Rijk, mevr. Van der Horst, Schwab, Jan Musch, Henri de Vries, Van Kuyk, die elk jaar tegen Kerstmis een nieuw stuk van Heijermans ten tooneele bracht: Ghetto, Het gevende Gebod, Uitkomst, Het Pantser, Op Hoop van Zeêen, Allerzielen enz., stukken, naar welker premières talloozen met verlangen en in stijgende spanning uitzagen, die het onderwerp waren van hevige controversen, stukken van welke som
*75