Ben Leil, de Zoon van den Nacht, anderdeels uit kluchten, blijspelen en spectakelstukken: De Schoolmeester of het Examen op het Platteland, Michaël StrogofF, Matse van de Waterleiding, en wat dies meer zij. De Salon was en bleef jaren lang in trek. De Bouwmeesters verlieten op den duur het gezelschap. Boas en Judels bleven over. De smaak van het publiek veranderde. De oude melodrama’s en kluchtspelen verloren hunne aantrekkelijkheid. De zaak verliep. Boas overleed, Judels trok zich terug. Toen kwam de ernstige muze en nam haar intrek in den Salon. De vernieuwing van het Fransche tooneel onder Antoine en Lugné-Poe, begon haar invloed hier te doen gelden. Onder directie Kreukniet en Poolman vertolkten jonge artisten in den ouden Salon den nieuwen geest. Het fel-realistische Blanchette, waarin Antoine te Parijs had geschitterd, en Hauptmanns geduchte Die Weber zijn voorbeelden van hetgeen daar werd vertoond. In dien tijd werd daar ook, althans wat ons land betreft, de revue geboren, de echte, waarin de gebeurtenissen van den dag op spottende, groteske en caricaturale wijze werden behandeld. Het was Albert Reijdings De Doofpot, waarin Pilger op onnavolgbare wijze den politieagent voorstelde. De in deze revue gezongen liedjes bleven, lang nadat zij hunne actualiteit verloren hadden, populair. Een jongmensch had zich opgehangen, aan een boom in het Muiderwoud — De gemeenteraad heeft besloten, dat een ieder baden moet— Pats, pats, pats, je hakt d’r maar op in enz. werden nog lang gezongen en zelfs nu hoort men nog wel het beroemde refrein:
Diender, diender, als ik ’t u gebied!
Ik doe ’t niet, ik doe ’t niet, ik doe ’t niet!
En als ik ’t u met klem gebied?!
Dan doe ik ’t lekker niet.
Ook deze glorie taande op den duur. Er werd nog van allerlei geprobeerd, maar eindelijk sloot de Salon voorgoed zijn deuren, werd daarna gesloopt, om plaats te maken voor De Nieuwe Karseboom (de oude stond in de Kalverstraat), een café, waar concerten werden gegeven en billardclubs waren gevestigd, dat, waarschijnlijk door den ongunst der tijden, het ook al heeft moeten opgeven; het gebouw staat nu ledig en verlaten. Er waren nog drie oude theaters, die de Wijkmeester niet noemt en Van der Vijver evenmin, het eene „op de Schans”, directie Nieuwenhuis, het andere, Schouwburg-Loge genaamd, in de Plantage Parklaan bij de Doklaan, directie Grader (ook een bekend acteurs-geslacht). Daar werden vreeselijke drama’s vertoond, naar men wil ook de legendarische tragediën Het Doorgezaagde Weesmeisje en De Minnemoer uit het Lazarushuis,
174