Uit Van der Vijvers relaas blijkt, dat men niet alleen treur-, blij- en andere tooneelspelen vertoonde, doch ook zangspelen, „waartoe Mozart, Grétry, Cherubini en verdere voorname componisten bouwstoffen leverden.” Naar het schijnt heeft de toenmalige „orchestmeester” Ruloffs een soort van operettes samengeflanst uit melodieën van allerlei componisten — waaruit weder eens de juistheid blijkt van het gezegde, dat er niets nieuws is onder de zon en dat de man, die in onze dagen de operette Das Dreimadlerhaus uit melodieën van Schubert heeft „opgebouwd”, een eeuw geleden een voorganger heeft gehad.
In de jeugd van schrijver dezes was de glans van Snoek, Wattier-Ziesenis (naar wie de Zieseniskade, te voren Gangpad of Ganzepad geheeten, is genoemd) en Majofski nog niet geheel verbleekt. Men hoorde hen in kringen, die in het tooneel belang stelden, nog vaak noemen. Ouderen vergeleken den toenmaals beroemden acteur Peeters vaak met Snoek. Het blijkt uit Van der Vijvers mededeelingen, dat er reeds in zijn tijd familiën van tooneelspelers waren. In een later tijdperk was dit in sterke mate het geval. Enkele namen worden in Van der Vijvers opsomming reeds aangetroffen, die om zoo te zeggen verband leggen tusschen de beide tijdperken, namelijk Engelman en Majofski. Een zestigtal jaren geleden waren namelijk Mevr. Albrecht-Engelman en Mevr. Stoetz-Majofski bekende actrices. Tooneel-families waren en zijn Bouwmeester enFrenkel, Spoor, Haspels, De Vries, De la Mar, Van Beem, Judels, Stoetz, De Vos, Tourniaire, De Groot-Saalborn, Ruys, Poolman enz. Wie in de vaak zeer merkwaardige geschiedenis van onze tooneelspelers-geslachten belang stelt, kan haar zeer volledig vinden in hetgeen Dr. M. B. Mendes da Costa daaromtrent in zijn Tooneel-Herinneringen heeft gepubliceerd. Blijkens de aanteekeningen van Van der Vijver werden er in den Stadsschouwburg ook werkelijke opera’s ten tooneele gebracht, blijkbaar door leden van den troep, waarin zich dus geschoolde zangers en zangeressen bevonden moeten hebben. Hij geeft een lijst van zulke daar uitgevoerde werken, waarop voorkomen Semiramis, Het Vrij schot {Der Freischutz), Preciosa, De Tooverjluit (Die ^auberjlöte), Oberon en Don Juan, werken, die ongeschoolden niet ten gehoore zouden kunnen brengen. De veel latere Nederlandsche Opera’s en het Lyrisch Tooneel (waarover aanstonds een en ander) hebben dus eveneens voorgangers gehad.
Curiositeitshalve en vooral ter vergelijking met het heden, zij nog afgeschreven wat Van der Vijver verhaalt omtrent de toegangsprijzen: „Hooge Staats-ambtenaren, de Leden der Stedelijke Regering (men ziet, dat ook de tale Marchants niet nieuw is), de Commandant der Stad,
168