opkoopers, omdat zij geen tijd of geen geneigdheid hadden om voor de bespreekbureaux in de rij te staan. Thans doet zich bij voetbalwedstrijden vaak hetzelfde voor.
Van der Vijver houdt zich ook bezig met de acteurs en actrices. Hij noemt uit een vroegere periode: „Zjermes, Kroon, Van Malsem, Van der Sluis, Cower, Duim, Punt, Passé, Hilverdink, Spatsier, Schippers, en de tooneelspeelsters Ghijben, Bouhon, Fokke, Van Thil, Maas en Sijmes of Seims.”
De hier genoemde Cower bracht een reorganisatie van het tooneel tot stand, die „uitmuntende kweekelingen, onder anderen Wattier en Bing-ley, voor de kunst had gevormd.” Dan vernemen wij verder:
„Zij, die zich bevlijtigden om den ouden luister des Schouwburgs te herstellen, vonden daartoe in Wattier (later Wattier-Ziesenis) — wier onovertrefbare begaafdheden een Europeeschen roem verwierven — in W. Bingley, S. Cruys, D. Sardet, A. Roos, P. Kroeze, en vervolgens in Andries Snoek, vereenigd met de tooneelspeelsters J. W. Sardet, geboren Wouters, en Helena Snoeck, geboren Snoek, eene rij van kunstenaars, die het treurspel tot eene nooit gekende hoogte bragten, en het blij-, tooneel-en zangspel, in vereeniging met de acteurs T. J. Majofski, D. Kamp-huyzen, T. C. Beyninck, P. Snoeck, W. Zeegers, J. B. Neyts, S. L. Lam-botte, en de actrices A. M. Kamphuyzen, geboren Snoek, H. J. de Bruin, geboren Hilverdinck, M. Snoek, geboren Adams, M. A. Majofski, geboren Adams, E. L. Ruloffs, geboren Anderegg, C. M. J. Freubel, geboren Smalhoudt en C. Anderegg, loffelijk staande hielden. Het personeel in lateren tijd door den dood van deze en gene verminderd, doch weder door anderen aangevuld, handhaafde nog eene reeks van jaren den verworven roem. Andries Snoek, een der grootste tooneelkunstenaars van zijnen tijd, was de hoofdzenuw van het geheel en vond in J. C. Jelgerhuis Rz., C. Everts, M. Westerman, R. Engelman, C. van Hulst, G. J. Greve-linck, geboren Hilverdink en A. P. Muller, geboren Westerman, uitmuntende medestanders, om den glans van het treurspel, die door den dood van Wattier scheen uitgedoofd, weder te verlevendigen; terwijl G. C. Rombach — in wien elk, die natuur en kunst op het tooneel trachtte te vereenigen, een model vond — destijds de roem van het blij- en tooneel-spel was.
Eindelijk kwam er een tijd van stilstand. De dood van de meesten, hierboven genoemd, sloot het tijdvak der hooge kunst. Een nieuw personeel trad te voorschijn en dat moge thans de hooge kunst weder opbouwen, waartoe sommigen toonen aanleg te hebben.”
167