directeur-generaal van stadswerken en gebouwen, een aanvang werd gemaakt. Op 15 September 1774 werd hij in gebruik genomen. „Het gebouw,” zegt Van der Vijver, „is een langwerpig vierkant, naar de Ionische bouworde... en rust op een gemetzelden steenen voet...” Het gebouw zelf was van hout en werd deswege algemeen „de Houten Kast” genoemd. „De zaal of schouwplaats, aanvankelijk met kaarsen, doch later met lampen verlicht, en van een ventilator voorzien, kan zestien honderd menschen bevatten, afgescheiden van het orchest, waarin v:ijftig toonkunstenaars kunnen worden geplaatst.”
„De gewone speeldagen,” zoo gaat hij, na een uitvoerige beschrijving van gebouw en tooneel, verder, „zijn Maandag, Woensdag en Zaterdag, en, gedurende de twee laatste kermisweken, al de dagen der week, uitgezonderd de Zondag, die alleen gedurende de overheersching der Fran-schen op Amstels schouwtooneel werd ontheiligd, hoewel de voorstellingen op dien avond schaars werden bezocht... Gewoonlijk is het tooneel, in het langst der dagen, drie maanden gesloten. De voorstelling begon weleer te vijf ure, thans meestal te zes ure, en eindigt omstreeks elf ure.”
De Amsterdammers van voorheen brachten dus vijf tot zes uren in den schouwburg door. Zooveel tijd was noodig, omdat na de „treurspellen” en de „blij-, tooneel- en kluchtspellen, in verzen, met of zonder zang en dans”, een ballet werd uitgevoerd. Niet allen bleven echter zoo lang. Velen gingen na het tooneelspel heen, namen bij den suppoost een contramerk, dat zij aan de altijd op het Plein aanwezige gegadigden wel eens weggaven, doch gewoonlijk voor een klein bedrag verkochten: de koopers konden dan voor luttel gelds het ballet aanschouwen. Tot voor ongeveer vijftig jaren bestond het geven van contramerken nog. Er werd toen geen handel meer in gedreven, want de balletten behoorden sinds lang tot het verleden. Degenen bedienden er zich van, die in de groote pauze een luchtje wilden scheppen of in een der café’s op het Plein een biertje wilden verschalken.
De vermelding van de contramerken herinnert aan een ander, nu ook verdwenen attribuut van den Stads- en van andere schouwburgen: de opkoopers. Deze lieden wisten zich, waarschijnlijk met medewerking van de bureaulisten, wellicht zelfs van de directies, in het bezit te stellen van hoeveelheden toegangsbilletten voor de beste plaatsen, die zij dan met een winstje boven den officieelen prijs aan het publiek verkochten. Indien om de eene of andere reden bijzonder grooten toeloop kon verwacht worden, voorzagen zij zich van zoovele billetten, dat men eigenlijk alleen bij hen terecht kon. Velen kochten hunne toegangskaarten altijd bij de
166