is) een als van zelf ontstaan fraai punt, waar vijf wateren bijeenkomen, bederft. Maar het is onduldbaar, dat men de oude stad door zulke bouwsels laat besmeuren en bederven. De Schoonheids-Commissie, wier taak toch ook is het oude Amsterdam tegen aanslagen op zijn schoonheid en karakter te beschermen, behoorde niet te gedoogen, dat straten en grachten in de stadskern met zulke beton- en staalsamenstellingen worden opgescheept. Zij gedoogt het, waarschijnlijk omdat zij voor een aanzienlijk gedeelte bestaat uit architecten, die zelf aan cement en glas zijn verslaafd en dus schoonheid zien waar zij niet aanwezig is.
Er is een ander euvel, dat de oude stad ernstig bedreigt, op sommige belangrijke punten reeds zeer heeft geschaad: het te hooge bouwen. Een treffend voorbeeld daarvan is het gebouw van de Nederlandsche Handelmaatschappij, aan de Vijzelstraat, een werk van De Bazel, dat, hoe fraai op zich zelf ook, door zijn hoogte de prachtige en beroemde Bocht van de Heerengracht, gezien van de brug voor de Leidschestraat, hopeloos bederft. Het gebouw van de Amsterdamsche Bank, aan Rembrandtsplein en Utrechtschestraat, heeft in het stadsbeeld, o.a. van het Muntplein af, door de Reguliersbreestraat gezien, een soortgelijk funeste uitwerking — en in verschillende andere deelen der stad kan men hetzelfde schouwspel waarnemen.
Wie dus de stad waarnemend, belangstellend en begrijpend beziet, zal freudvoll, doch ook vaak genoeg leidvoll worden beroerd. Maar als hij gedankenvoll over het geziene en waargenomene schouw houdt en daarbij voegt wat hij weet van hetgeen in en door haar geschiedt, zal hij toch tot geen andere slotsom kunnen komen, dan dat Amsterdam was en is een stad, die de kunst eert en dient.