en van dien van het stadhuis te Stockholm, öf schrale, kale, nuchtere, soms zelfs belachelijk aandoende dingen.
In nog een opzicht heeft Amsterdam op kunstgebied groote beteekenis en invloed gehad, namelijk op het gebied van hetgeen men kunstnijverheid noemt— men spreekt ook wel van ambachtskunst, binnen-architec-tuur enz. Met de herleving van de bouwkunst ging gepaard een streven, om het meubel, het gebruiksvoorwerp, weder, als in het verleden, tot een verheugend, mooi ding te maken. De veelzijdige en zeer groote Engels* :he kunstenaar William Morris was op dit gebied de pionier. Hier te lai ide behoorden Thorn Prikker, De Bazel, Lauweriks en Berlage tot degenen, die het eerst aan huisraad, meubelen, betimmeringen e.d. aandacht wijdden en daarbij, evenals Morris, herstel van het handwerk beoogd en. Bij hen sloten zich aan, of op hen volgden, Van den Bosch, Penaat, Eisenloeffel, Zwollo, Van der Hoef, Landré, Blinxma, Duco Krop enz., die op verschillend gebied werkzaam waren. Talrijke werkplaatsen en winkels getuigden van de bedrijvigheid der kunstnijveren: de fabriek Amstel hoek, waar Van der Hoefzij n pottenbakkerswerk maakte, de meubelmakerijen en edelsmederijen, waar Van den Bosch, Penaat, Eisenloeffel, Zwollo en anderen werkten, 51 Binnenhuis, 't Woonhuis enz. waar de producten van deze allen werden verkocht, terzelfder tijd, dat Liberty voortbrengselen van de Engelsche kunstnijverheid ter markt bracht.
Er is thans weinig meer van over. Het afzetgebied was te beperkt. De „uit de hand” vervaardigde voorwerpen heetten te duur te zijn. De fabrieksnijverheid legde zich toe op het nabootsen van de voortbrengselen van het handwerk en velen bedienden zich van deze verhoudingsgewijs goedkoope surrogaten. De liefhebberij voor antieke meubelen en voorwerpen groeide en ten slotte kwam het tegenovergestelde, het ultramoderne, zich aandienen, om geleidelijk veld te winnen: de „nieuwe zakelijkheid” oftewel het „nieuwe bouwen”, met zijn sobere, onversierde interieurs, zijn stalen meubelen, zijn toepassingen van glas en chroom-metalen, zijn groote vensters, die weinig muurvlakten overlieten.
Dit „nieuwe bouwen”, waarbij beton, staal en glas de voornaamste materialen zijn, maakt vorderingen. Zelfs als men, gelijk schrijver dezes, niet behoort tot de bewonderaars van deze bouwkunst, die met eigenlijk bouwen weinig, met kunst hoegenaamd niets heeft uit te staan, zou men zich er bij kunnen nederleggen, dat zulke structuren worden geplaatst in de nieuwe buitenwijken, al zal het dan betreurd worden, dat een glazen loods als de Apollo-hal (er was ook tientallen jaren geleden een gebouw, dat dezen naam droeg, aan den Amstel, waar nu de Sarphatikade
162