Holst, den beeldhouwer Zijl, en zelfs den dichter Verweij (van wien de inscripties boven de poorten aan Damrak en Beursplein zijn). Het Gemeentebestuur heeft in dezen geest voortgewerkt. Vele gebouwen, scholen en bruggen getuigen er van, evenals talrijke groepen woonhuizen, van gemeentewege en door particulieren, met of zonder medewerking der gemeente gesticht, alsook vele nieuwe patriciërshuizen, kantoorgebouwen enz. Er ontstond zelfs een wat men zou mogen noemen de stad eigene bouw-traditie, die de Amsterdamsche School werd genoemd, als welker coryphaeën de architecten Michel de Klerk, Piet Kramer en J. van der Meij mogen worden aangewezen. De algemeene crisis, in 1929-30 ingetreden, heeft op het stuk van den woningbouw gedwongen tot soberder uitvoering. Maar zelfs wat nu nog wordt gebouwd aan middenstands- en arbeiderswoningen, moge in architectonisch opzicht weinig beteekenis bezitten, het staat toch in elk geval mijlen boven de wanstaltigheden, die in de 19de en het begin van de 20ste eeuw werden geschapen.
Er zijn, jammer genoeg, eenige belangrijke uitzonderingen. Zoo het Koloniaal Instituut en de Effectenbeurs. Vooral op het eerste is toepasselijk het woord van Constantijn Huygens, dat in een gedicht op Amsterdam voorkomt: „Die schrick’lijkst van my swijght, heeft allerbest geseit.” Daartegenover staat, dat tot zelfs bij in zich zelf onbeteekenende dingen, als wachthuisjes van de tram, waterplaatsen, schakelhuisjes van de electrische geleidingen, krantenkiosken e.d. gestreefd wordt naar behoorlijk uiterlijk, zoodat zij medewerken tot versiering, in elk geval niet strekken tot ontsiering van de stad. Erkend dient te worden, dat het Rijk en de Spoorwegen thans in gelijken geest handelen, ook zeer in tegenstelling tot hetgeen vroeger op dit stuk werd vertoond.
Een opmerking van subjectieven aard moge de schrijver zich hier veroorloven en wel deze: Hoe groot de verdiensten van vele hedendaagsche architecten ook mogen wezen, als het geldt het bouwen van torens, kunnen zij niet de hoogte (figuurlijk gesproken) bereiken van Joost Bilhamer, den bouwer van den sierlijken Oudekerkstoren, en van Hendrick de Keijser, die ons de Zuider-, Munt-, Montelbaans- en Westertorens schonk (de laatste, na De Keijsers dood, in zeer gewijzigden vorm door Jacob van Campen voltooid). Een zeer bijzondere en fraaie toren heeft De Klerk (na zijn dood door Baanders voltooid) te IJsselstein gebouwd. Maar overigens zijn de torens van bijna alle hedendaagsche architecten öf min of meer gewijzigde nabootsingen van den toren van een weinige jaren na den wereldoorlog te Dusseldorf gehouden tentoonstelling, de Pressa,
11 161