werden jaren achtereen belangrijke aantallen schilderijen van levende kunstenaars gekocht, die in stedelijke verzamelingen werden geplaatst of tot versiering van gangen en vertrekken van het Stadhuis, vooral van het nieuwe gedeelte, werden gebezigd.
Tal van oude, fraaie stadhuizen en dienstgebouwen in vele steden en dorpen getuigen zoowel van den burgertrots als van den kunstzin en den goeden smaak van vorige geslachten. Ook Amsterdam bezit hiervan nog vele getuigen, als daar zijn: het Stadhuis, op den Dam; het Prinsenhof (dat thans de fraaie, nieuwe raadszaal herbergt, bij welker bouw de oude gevel zorgvuldig werd gespaard); het Arsenaal, aan Nieuwe Amstelstraat en Waterlooplein; de Bank van Leening, aan O.Z. Voorburgwal, Lombardsteeg en Nes; het Korenmetersgilde, thans Persmuseum, op de N.Z. Kolk; het gebouw van de Oost-Indische Compagnie, in de Oude Hoogstraat; de Pakhuizen van dezelfde, op de Prins Hendrikkade; het gebouw van de West-Indische Compagnie, op het ’s Gravenhekje; de Lakenhal, in de Staalstraat; het Doelengebouw, thans Militiezaal (waarin de Gemeenteraad vergaderde gedurende den bouw van de nieuwe raadszaal in het Prinsenhof), op het Singel; het Spinhuis, thans Hoofdbureau van Politie, op den O.Z. Achterburgwal; het Wijnkoopersgildehuis, in de Koestraat; de poortjes van het Rasphuis, thans zweminrichting, op den Heiligenweg, van het Burgerweeshuis, in de Kalverstraat en in de St. Luciënsteeg; van het Atheneum Illustre, thans Paedagogisch Seminarium op den O.Z. Voorburgwal; van het Oudemannenhuis, aan den O.Z. Achterburgwal en den Kloveniersburgwal; van het Binnengasthuis, .tan den O.Z. Achterburgwal enz. enz. Vele jaren lang, vooral in de i )de eeuw, werd deze traditie verwaarloosd. Bijna alle openbare gebouwen uit dien tijd zijn banaal, smakeloos en leelijk. In de laatste kwart eeuw heeft het Gemeentebestuur, zooals reeds werd opgemerkt, den ouden weg hervonden. Hierbij moet het eerst worden gedacht aan den man, die voor herleving en ontwikkeling van de architectuur in ons land den weg heeft gebaand: Dr. H. P. Berlage. Hem is Dr. P. J. H. Cuypers, de bouwmeester van het Rijksmuseum, het Centraal Station en vele kerken, voorafgegaan, die bij zijne werken vele lang verwaarloosde beginselen in toepassing bracht en aan de decoratieve kunsten recht liet wedervaren, doch zich niet kon bevrijden van oude stijlvormen. Berlages Beurs bracht de verlossing uit de obsessie van renaissance-nabootsing, zinlooze tierelantijnen-versiering, banaliteit en karakterloosheid, bracht ook herstel van de samenwerking tusschen bouw- en decoratieve kunst. Berlage betrok bij den bouw van zijn Beurs de schilders Derkinderen, Toorop en Roland
160