Wellicht is dit, voor een deel althans, toe te schrijven aan krakeel en splitsing in wat men, het is cliché geworden, noemt: de schildersbent. Eenige tientallen jaren geleden leidden de geschillen, over welke hier zal worden gezwegen, tot de stichting van een „afgescheiden” schilders-vereeniging, die St. Lucas werd genoemd. Later kwam er een derde vereeniging, De Onafhankelijkeri, zooiets als hetgeen men in Duitschland de Secession noemde, die „juryvrije” tentoonstellingen organiseerde en daartoe zelfs eenmaal een tijdelijk gebouw stichtte. Daarna verrezen nog andere schilders-genootschappen, van welke een Rembrandt tot peetvader nam, andere hun naam ontleenden aan het getal der leden, De 10, of aan de plaats waar zij gevestigd zijn, De Brug, enz.
Amsterdam heeft, zeker van de 17de eeuw af, tot heden toe, steeds een belangrijk aantal schilders geherbergd. De aanzienlijke en vermogende burgers versierden hunne huizen gaarne met schilderijen en velen legden belangrijke verzamelingen aan. Zij lieten portretten schilderen van zich zelf, van hunne vrouwen en kinderen.
Er was geen college van eenige beteekenis, dat zich niet liet conterfeiten: overlieden van gilden, officieren van schuttersvendels, regenten van liefdadige instellingen enz. Daaraan danken wij stukken als de Nachtwacht, de Staalmeesters, den Schuttersmaaltijd en zoovele andere.
Ook de vroedschap liet zich niet onbetuigd. Zoo gaf zij velen kunstenaars opdrachten voor de versiering van Jacob van Campens raadhuis (thans Koninklijk Paleis en onlangs eigendom geworden van het Rijk), dat Quellijn rijkelijk van beeldhouwwerk had voorzien. Aan zulk een opdracht danken wij waarschijnlijk het treffende beeld van eene waanzinnige, dat eenmaal stond op de binnenplaats van het Dolhuis, op den Kloveniersburgwal. Later werd dit anders en over een lang tijdperk valt er nagenoeg niets van dezen aard aan te wijzen.
In onze dagen is de traditie herleefd. Bij den aanleg en betimmering van de vooral na den wereldoorlog in het leven geroepen uitgestrekte nieuwe wijken, werden vooral van gemeentewege bekwame bouwmeesters betrokken. Gebroken werd met de sleur, die nagenoeg alle openbare gebouwen wonderen van leelijkheid deed worden. Een nieuwe vleugel van het Stadhuis op den Z.O. Voorburgwal, gymnasium, lycea, scholen, badhuizen, dienstgebouwen, markthallen, bruggen — het werd alles werk van even kundige als kunstvaardige architecten. Daarbij bleef het niet. Aan schilders werd opdracht gegeven tot het maken van wandschilderingen in verschillende groote dienstgebouwen. Aan beeldhouwers werden versieringen van scholen, bruggen, straten en pleinen toevertrouwd. Voorts
159