jonge architecten, Duyker en Bijvoets, werd bekroond. Tot uitvoering is het echter niet gekomen en het is onwaarschijnlijk dat het er ooit toe komen zal. Het bestaande gebouw werd, onder het directeurschap van professor R.N. Roland Holst, zoodanig veranderd en verbouwd, dat althans het inwendige zijn luguber karakter voor een grootgedeelte heeft verloren. Behalve deze hoogeschool der kunst, bezit de stad een aantal kunst-nij ver heids- en teekenscholen, bouwkundige leergangen en dergelijke instituten, als: het Rijksinstituut tot Opleiding van Teekenleeraren, het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs, de Vereeniging voor voori-gezet en hooger Bouwkunstonderricht enz.
Zooeven bleek, dat reeds een eeuw geleden van gemeentewege „tentoonstellingen van schilderijen enz. van levende meesters” werden gehouden. Het is mogelijk, doch niet waarschijnlijk dat zulks ook nog later geschiedde. Maar zeker is, dat in de jaren ’80 en ’90 van de 19de eeuw deze traditie herleefde. Er werden toen aanvankelijk drie-, later vier-jaarlijksche tentoonstellingen georganiseerd. Ieder jaar werd namelijk zulk een tentoonstelling gehouden, beurtelings te Amsterdam, ’s Graven-hage en Rotterdam, later ook te Arnhem. Het was de tijd van het algemeen réveil op alle gebieden, waarvan reeds gesproken werd, ook op dat van de beeldende kunsten en zoo waren deze exposities zeer belangrijk. Zij werden, als Amsterdam aan de beurt was, gehouden in een houten gebouw op het kort te voren gedempte gedeelte van het Damrak, ongeveer ter hoogte waar thans het als parkeerplaats voor automobiele u dienende pleintje voor de Beurs is gelegen. (De geschiedenis dezer demping komt later aan de orde.) Het gebouw heeft ook dienst gedaan als post- en telegraafkantoor tijdens den bouw van het tegenwoordige op den N.Z. Voorburgwal — een werk van wijlen den rijksbouwmeester Peeters. Sinds vele jaren is aan deze periodieke tentoonstellingen een einde gekomen.
Wijkmeester Meijer vertelt ons verder: „Voor de Kunsten werd in den Jare 1840 op het Rokin bij de Langebrug een Genootschap opgericht Artis (sic) et Amicitia, tot eene Tentoonstelling van Schilderijen en Kunstwerken.”
Of het genootschap daar werd gesticht, mag betwijfeld worden. Maar zeker stond en staat op de aangeduide plaats zijn gebouw, waarin tentoonstellingszalen en sociëteits-lokalen. Jarenlang was Arti het centrum van het Amsterdamsche kunst- en schildersleven. Het is dit tot oi) zekere hoogte nog steeds, maar de belangstelling voor de tentoonstellingen is verflauwd — een algemeen verschijnsel — en de sociëteit kwijnt.
158