Van Reenen, in de Rechten.
Siegfried Geof Reinwardt, in de Chemie.
Petrus Johannes van Maanen.
Joannes Petrus van Cappelle, Vaderlandsche Historie.
Franciscus van der Breggen, in de Pathologie.
Joannes Petrus Stephanus Voute, in de Philosophie.
Cornelius Anne den Tex, in het Burgerlijk en Natuurlijk Regt.
Henricus Bosscha, in de Anatomie.
Henricus Carolus van der Boon Mesch, in de Chemie.
Jacobus van Hall.
Gijsbertus Johannes Rooyers, Theologie.
Taco Roorda, in de Oostersche Talen.
W. S. Swart, in de Schei- en Artzenijmengkunde, Wis-, Natuur- en Sterrekunde.
Nicolaas Godfried van Kampen, in de Nederlandsche Historie.
W. H. de Vreese, in de Kruidkunde.
Hugo Beijerman, in de Vaderlandsche Historie.
Zedert de oprichting der Clinische School: C. P. Tilanus, C. Suringar. En bij het Luthersche Seminarium: Sartorius, Ebersbach en Plusche.” In 1876 erlangde het Atheneum Illustre het recht academische graden toe te kennen en werd aldus een Universiteit. Zij werd nu gevestigd in een gedeelte van het voormalige Oudemannenhuis (in het andere bleef de schilderijenverzameling-Van der Hoop, tot zij naar het inmiddels gebouwde Rijksmuseum werd overgebracht), waarin men een poos later te haren dienste een (veel te kleine en zeer leelijke) aula bouwde. Hare instellingen, ziekenhuizen, klinieken, laboratoria, verzamelingen enz. liggen over de geheele stad verspreid. De Agnieten-kapel deed jarenlang als lagere school dienst, doch werd eenige jaren geleden gerestaureerd en herbergt thans het paedagogisch seminarium.
Aan de Universiteit van Amsterdam waren en zijn vele illustere namen verbonden. In de lijst van onzen Wijkmeester komen er eenige voor. Men denke verder aan Asser, Hugo de Vries, Cort van der Linden, Stokvis, Quack, Van ’t Hoff, Struycken, Bakhuis Rosenboom, Pel, Conrat, Weber, Sluyter— om slechts te gewagen van hen, die voor altijd zijn heengegaan. De Universiteit heeft in het leven der stad nooit de beteekenis gehad, die de hoogescholen van Leiden, Utrecht en Groningen bezaten in dat van deze steden. Dat waren eertijds kleine steden en uiteraard namen daar de universiteiten een belangrijke plaats in en beheerschten vooral de studenten er de gemeenschap; zij domineerden het straatleven, vulden
*5*