WETENSCHAP EN KUNST
H
. ■ JL et wetenschappelijk middelpunt van Amsterdam is uiteraard de roemrijke Hoogeschool.
Zij is meer dan drie eeuwen oud, zij het ook, dat zij bijna twee en een halve eeuw Atheneum was, zoodat men er wel studeeren, doch niet promoveeren kon.
Het Atheneum Illustre, oftewel Doorluchtige School, werd gesticht in 1632 en gevestigd in de voormalige Kapel van het Agnieten-klooster, op den O.Z. Voorburgwal. De eerste hoogleeraren waren Caspar van Baerle, naar oud gebruik gelatiniseerd tot Barlaeus, theoloog en wijsgeer, en Gerardus Vos, gezegd Vossius, taalkundige en historicus.
Zij ontwikkelde zich in den loop der tijden tot een belangrijk centrum van wetenschappelijke studie. Wijkmeester Meijer maakt vooral gewag van hare beteekenis voor de medische wetenschap en vermeldt met zekeren trots het bestaan van „den Hortus Botanicus en de nieuw op-gerigte Clinische School op de Kloveniersburgwal.” Hij geeft ook de volgende lijst van hoogleeraren „zedert het Jaar 1811” tot 1841, dus een tijdperk van dertig jaren:
„Hendrik Constantyn Cras, in de Rechten.
Andreas Bonn, in de Anatomie Chirurgie.
Jacob van Nuis Klinkenberg, in de Theologie en kerkelijke Historie.
I. H. van Swinden, in de Philosophie.
Dirk van Rhijn, in de Chemie.
Gerardus Vrolik, in de Botanie.
Mr. D. I. van Lennep, in de Geschiedenis, Welsprekendheid, Oudheden, Grieksch en Latijn.
Johannes Wilmet, in de Oostersche Taaien.
Jan Melchior Kemper, in de Rechten.
Hermanus Bosscha, in de Anatomie.
150