was de toeslee lui. Ze ging af met een schok en bleef staan met een schok.” Een tocht met dit voertuig zal geen onverdeeld genoegen zijn geweest. Wat zal het zware slee-monster gehobbeld hebben over de ruwe keien en de „kinderkopjes”, waarmede Amsterdam destijds was bestraat. Men moet de menschen beklagen, die er gebruik van maakten, maar nog veel meer de arme paarden, die het logge ding met inhoud moesten trekken over de weinig voor sledevaart geschikte keien, het moesten opsjorren tegen de talrijke hooge boogbruggen, alsook den sleeper, die er naast moest loopen en met het handvatsel moest sturen, duwen en remmen. Een zeer aanmerkelijke vooruitgang waren dus de vigilantes (wellicht afgeleid van het Latijnsche vigere = krachtig, levendig zijn) en de brommertjes (vermoedelijk zoo genoemd naar den naam van den vervaardiger), die men, om begrijpelijke reden, ook wel rollertjes noemde.
Voor het groote publiek waren eenige weinige omnibussen beschikbaar, vermoedelijk in gebruik gekomen in 1839, om het station van den Holland-sche Ijzeren Spoorweg, aan den Haarlemmerweg, ter plaatse waar zich thans Westerpark en gasfabriek bevinden, in verbinding te brengen met de stad. Er is een afbeelding van een omnibus uit het jaar 1840, op welke de route is aangegeven: Nieuwendijk, Dam, Kalverstraat, Doelenstraat, Kloveniersburgwal. Later reden omnibussen de geheele lengte van de drie hoofdgrachten. En ten slotte kwamen er omnibussen, die de Botermarkt met het station aan den Haarlemmerweg en den Dam met dat van de Rijnspoor (bij het Weesperplein) verbonden. Koens, Fraissinet en Langeveld waren de voornaamste ondernemers. De vrachtprijs was gewoonlijk 20 cents, een voor die dagen zeer hoog bedrag.
Uit een en ander kan men opmaken, dat het rijverkeer niet overweldigend was. Zoo weinig was dit het geval, dat in de jeugd van schrijver dezes, zeg ongeveer 1875, sommige bewoners van de Botermarkt (Rem-brandtsplein) kippen hielden, die des zomers den ganschen dag op het plein rondscharrelden, zonder hun leven al te zeer in de waagschaal te stellen. Voor het hoendcrbestaan is het plein tegenwoordig al zeer weinig geschikt.
Wie een rijtuig noodig had, moest dit bestellen bij een stalhouder. Stationneerende voertuigen waren onbekend. Zij deden hun intrede in de jaren ’8o der 19de eeuw, het tijdperk der wereldstad-bevliegingen. De Amsterdamsche Rijtuig-Maatschappij, oorspronkelijk voor dit doel opgericht, stelde op verschillende plaatsen open en gesloten rijtuigjes beschikbaar, welker koetsiers in een bonte livrei uitgedost waren en een glimmenden, grijzen hoogen hoed droegen; zij werden onmiddellijk
141