Amsterdam, die groote stad

Titel
Amsterdam, die groote stad

Jaar
1936

Druk
1936

Overig
1ed 1936

Pagina's
353



foetida of ’t maggenietem trietem,” met welke verklaring Trijn genoegen neemt en verdwijnt, waarna Jan zich tot het publiek wendt en het vertrouwelijk kennis geeft:

„Nou gaan ’k na de herreberg ’t Zwaantje

En pikke daar ’n lekker graantje.”

De verdere lotgevallen van onzen Jan bestaan voornamelijk in allerlei hostiele ontmoetingen met de genoemde personagiën, uit alle dewelke hij als overwinnaar te voorschijn treedt, de wrekende gerechtigheid, in de gedaanten van Politie-agent en Beul, inbegrepen. De Dood echter zegepraalt. Jan wordt gekist. Maar als allen henen zijn en de baar achterblijft, gaat het deksel omhoog en Jan herrijst triomfantelijk — symbool van den onvergankelijken en onbedwingbaren volkshumor.

De poppenkast is niet verdwenen; veel is gekomen, veel is gegaan, doch zij bleef. Nagenoeg eiken dag kan men haar genieten op den Dam, al is hetgeen daar wordt vertoond geheel anders dan wat Sampimon te zien en te hooren gaf en al wordt er ook bij gesold met een aapje of een hondje. Onlangs scheidde de man, die jarenlang op den Dam de poppenkast had geleid, uit het leven en men dacht, dat daarmede aan de geheele zaak een einde zou komen. Er is echter spoedig een opvolger opgestaan. Jong en oud geniet weer van het schouwspel. Dit stukje geschiedenis en traditie althans is dus behouden gebleven.

Tot de aan Amsterdam eigen figuren, behooren de cargadoors. Wel te verstaan: niet de scheepsbevrachters, want zulke vindt men in elke havenstad en zij zijn karakteristiek noch pittoresk, hoe nuttig en eerbaar zij ook mogen wezen. De hier bedoelde cargadoors zijn de stakkerds, die zich, gewapend met een touw-met-haak, opstellen bij steile bruggen, gereed om, voor een of twee centen, bestuurders van zwaar beladen handkarren te helpen het brugbezwaar te overwinnen. De kar, die anders zou blijven staan, gaat door, dank zij hun medewerking. Van daar is het, dat de immer schertsende Amsterdammer hen cargadoors noemt.

Tot de voorname attributen der stad behooren uiteraard de winkels, magazijnen en wat men in goed Duitsch warenhuizen noemt.

In schrijvers jeugd waren er winkels, waar de gegoeden bij voorkeur of uitsluitend in hunne behoeften voorzagen. Wie een prima heerenhoed wenschte, ging naar Froger op den Vijgendam of naar Peeters op de Reguliersbreestraat. Voor dameshoeden waren Vivario op den Nieuwen-dijk, Mack en Mars en Co. in verschillende straten de aangewezen adressen. Van sigaren voorzag men zich bij Hajenius op den Dam,

137

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.