mandjes. (Zoo werden snij- en sperzieboonen, de laatste ook wel meer-boonen genoemd, bij getal verkocht.) Zij waren afkomstig van Aalsmeer, van Beverwijk en elders, maar onveranderlijk klonk de roep: „Aalsmeerder aarebei.” (Opgemerkt zij, dat de werkelijke, kleine, donkere en zeer geurige Aalsmeerder aardbeien thans niet meer voorkomen; zij werden verdrongen door de variëteit Laxton noble, een Engelsch kweekproduct, dat vroeg en overvloedig groote vruchten voortbrengt, die met de heerlijke Aalsmeerders niet vergeleken kunnen worden.) Bij de kersen klonk het: „Bruin en mooi, ’n stooter ’n pond” (een stooter = i21/2 cent). Gele kruisbessen, te Amsterdam klapbessen genaamd, werden gepresenteerd in aardbei-mandjes of in houten napjes: „Wat is dat maatje geel en mooi.” De meestal Joodsche appelen- en perenventers waren meesters in het mishandelen van de meestal Fransche namen der vruchten. Men zou uit den roep: „Mooie karrepetie-ap” bezwaarlijk hebben begrepen, dat de appel werd bedoeld die courtpendu heet. Beurré werd bereeje, poire madame werd peeremedam, goudreinetten werden reinedooren (reine d’or), reine claude werd reineklodder. Ook de Nederlandsche namen hadden te lijden. Zoo werd de juttepeer wijnpeer genoemd en het groentje sapperdegroentje, vermoedelijk vanwege de bijzondere sappigheid dezer vrucht. (Opgemerkt zij, dat vele, voorheen overvloedige vruchten thans nagenoeg of in het geheel niet meer worden gezien: de juttepeer, het groentje, het peperappeltje, de witte Friesche pruim, de gele kruisbes, pippelingen, de moerbei, de vijgepeer, de princesse noble enz.)
Behalve venters waren er ook inkoopers. Zoo waren er, die zich toelegden op den inkoop van gedragen kleedingstukken en met een zak over den schouder langs de straat liepen, roepende: „Ouskleer.” Anderen verlangden „Vodde-nen-beene” te koopen.
Er waren ook venters, die hunne waren niet luidkeels aanprezen, doch deze aan de huizen aanboden. De bekendste van hen was Nanie, handelaar in zeemlappen en sponsen.
Een voorname plaats in het Amsterdamsche straatleven werd ingenomen door de poppenkast. Er waren een stuk of wat van deze ambulante theaters. De gezochtste was die van Sampimon. Zij was een werkelijk marionetten-theater, want de poppen werden van boven af door draden in beweging gebracht en niet, als thans, met de in de pop gestoken hand. De poppen hadden dus beenen en bewogen zich op een vloer. De natuurlijk onzichtbare vertooner sprak den dialoog en zong de liedjes; vóór de kast stond een violist, die den zang begeleidde; een vrouw met bakje zorgde dat de recette binnenkwam.
135