sche vischventers. Zij specialiseerden des winters in schelvisch, die voorheen in andere jaargetijden niet verkrijgbaar was, des zomers in de vis-schen, die als pietermannen, roode poonen, zeehanen en knorhanen bekend stonden. Het eenige bijzondere, dat er van hen te vertellen valt, is, dat zij, om hun waar een welvarend voorkomen te geven, de visschen, door middel van een in het aarsgat gestoken veerschacht, opbliezen.
In de andere volksbuurten werd des winters panharing, werden des zomers geepen gevent. Geepen hebben een groene graat, velen hebben er derhalve (ten onrechte) een af keer van en dus was deze visch, die er in levenden toestand uitziet als een zilveren zwaard, goedkoop.
Overal in de stad werden garnalen en aal gevent, bijna onveranderlijk door vrouwen. De gillende roep der aalvrouwen heeft schrijver dezes nooit behoorlijk kunnen doorgronden. Hij klonk ongeveer: „Eel, breed eel,” hoog en op één toon.
Hier en daar werd per schuitje groente, voornamelijk wortelen, uien en kool, aangevoerd. De verkooper bleef in het aan den wallekant gemeerde vaartuig; een assistent liep de buurt af, deelde luidkeels mede welke producten verkrijgbaar waren en op welke gracht, om te eindigen met de waarschuwing: „Maak datje bij de schuit komt.” Voor dergelijke aankondigingen werden ook wel omroepers gebezigd, die, na eenige slagen op een koperen schaal, de burgerij van hun opdracht op de hoogte stelden.
Een gezochte lekkernij waren de oubliën, dun, bros, hol cylindervonnig gebak. Er waren twee venters, die deze lekkernij in groote blikken trommels met zich voerden. In zooverre waren zij aan elkander gelijk. Doch zeer verschillend was hun roep. De eene riep „oblieje” met sombere stem en op één toon; de andere kreet: „Oó-blieje,” Oo hoog en snel, blieje een halven toon hooger en ietwat gerekt.
Zij ventten gewoonlijk des avonds, evenals de Joodsche man, die des winters ramenas ventte. In de Jodenbuurt, waar zijn perigrinatie een aanvang nam, riep hij in het Jiddisch: „Sjyne reetisj” (= schone Rettich), doch over de Blauwbrug gekomen, bediende hij zich van de Nederland-sche taal en riep: „Mooie rammenas,” in beide talen op larmoyante wijze, op één toon, alleen met verhooging van een halven toon op ram.
Zeer bekende figuren waren de Duitsche man en vrouw, die steenen potten en pannen ventten. Zij riepen „Panniekoop” en werden in de stad algemeen ook zoo genoemd.
De talrijke fruitventers hadden vaste, bij allen gelijke roepen. Aardbeien werden niet verkocht per pond, doch in steenen potjes of cylindervormige
134