hetgeen, om onnaspeurlijke redenen, verboden was; alleenlijk werd oogluikend toegestaan, dat men het hoekje bij de Mozes- en Aaronstraat schuin overstak. Hoofdwacht en schild wachten zijn sinds lang verdwenen—■ de betaalmeesters zelf trouwens ook; de Nederlandsche Bank echter niet. Ook de kapel van ,,’tZéévetje” (7de regiment infanterie), het hoofdbestanddeel van het garnizoen, nam een voorname plaats in het volksleven in, eerst onder den kapelmeester Sonnemann, later onderZaagmans. Zij was de grootste aantrekkelijkheid bij marschen en parades — uitgezonderd wellicht den met zijn stok allerlei merkwaardige toeren verrichtenden tamboer-majoor en de marketentsters — doch ook hare uitvoeringen en concerten, voornamelijk die in het Tolhuis, over het IJ, stonden in hoog aanzien, vooral als zij hare successtukken, De Fremersberg, Legende uit Baden-Baden, en tegen of op 18 Juni De Slag bij Waterloo uitvoerde, waaraan militaire evoluties, echt geweervuur en quasi-kanongebulder te pas kwamen.
Ook de tamboers en pijpers der Mariniers waren zeer populair; maar voor en boven alles ging den Amsterdammer de Schutterij.
Er waren infanterie- en artillerie-schutters; aan laatstgenoemde, weinig talrijke groep, werd echter niet veel aandacht geschonken.
De artillerie-schutters werden geoefend (of wat daarvoor doorging) op de batterij achter de kazerne Oranje-Nassau. De infanterie-schutters aanvankelijk op ,,’t Funie” (Funen) en, nadat dit terrein met straten overdekt was geworden, achter het Rijksmuseum en elders. Indien de weersgesteldheid ongunstig was, werd geëxerceerd op de Beurs (aan den Dam), hetgeen bekend werd gemaakt door het hijschen van een vlaggetje op de stadstorens. Was het weer erg bar, of waren er andere beletselen, dan werd de oefening „afgewimpeld”, zooals men dat noemde, door middel van twee vlaggetjes op de torens.
De Schutterij was, zoowel voor de schutters zelf als voor de burgerij, een nooit opdrogende bron van vermaak en van ontelbare „moppen”. Vooral bij groote parades werd veel vreugde veroorzaakt door het verschil in martiale gedragingen tusschen de militairen en de schutters. De alsdan, evenals bij andere gelegenheden, aan den dag tredende „schutterigheid” was veel minder te wijten aan ongeoefendheid dan wel aan onverschilligheid en een zeker streven naar grappig vertoon. Het quasi-stuntelige gedoe was grootendeels onecht, want zeer vele schutters waren soldaat geweest en wisten dus drommels goed hoe het moest. Het afzetten der geweren geschiedde nooit gelijktijdig, zoodat de kolven dan een formeelen roffel op het plaveisel sloegen ; en het kostte zooveel moeite een behoorlijk
9 129