hoeden, die, wat vorm en glans betreft, niet bepaald onberispelijk waren. Zij waren gewoonlijk levendige, vriendelijke menschen, die zich wonderwel wisten te voegen naar de Hollandsche levenswijze, die hun toch wel zeer vreemd moet zijn geweest. In den regel hadden zij leerlingen, dikwijls eigen zonen, die het bedrijf voortzetten, als de ouderen naar hunne bergen terugkeerden.
Een geheel andere groep van arbeiders, die tot de reinheid der huizen bijdroegen, waren de nachtwerkers, welker hoofdkwartier gelegen was aan de Nieuwmarkt. Hun taak was het ruimen der beerputten, welke arbeid des nachts werd verricht. Later kwam, in de nieuwe wijken, het Liernur-stelsel, waarbij de kleine beerputten des avonds machinaal werden leeggepompt. (Van den beer werd compost gemaakt, doch deze betrekkelijk weinig geschikte meststof werd op den duur geheel door de kunstmeststoffen verdrongen.) In het oudere gedeelte der nieuwe stad werden in de W.C.’s tonnen geplaatst, die op gezette tijden werden verwisseld. Aan al deze weinig hygiënische en onwelriekende methoden van faecaliën-afvoer, o.a. het loozen in de grachten, heeft de snel voortgezette rioleering der stad een einde gemaakt.
Zeer belangrijk was het militaire element, want tot voor betrekkelijk weinige jaren was Amsterdam een aanzienlijke garnizoensstad.
Uit den tijd van Napoleon stamde de groote kazerne Oranje-Nassau aan de Sarphatistraat, waar de infanterie en vesting-artillerie werden gehuisvest. De cavalerie was gelegerd in kazernes aan de Ossenmarkt en liet Drilveld, na slooping van deze gebouwen in een kazerne aan de Sarphatistraat (thans huist er de militaire politie), waar zich ook het Rijks-klee-dingmagazijn en het Militair Hospitaal (thans Kanker-Instituut) bevinden. Bovendien waren er de Mariniers, wier kazerne op Kattenburg stond, en niet te vergeten de tot marine-matrozen opgeleide jongelui, die in het oude linieschip Admiraal van Wassenaer, gemeerd aan de Prins Hendrikkade tegenover de Landswerf, verbleven. Zoo waren er steeds eenige duizendtallen militairen in de stad, die aan het straatleven kleur gaven en wier marschen, parades enz. belangrijke evenementen voor de bevolking waren. Bovendien leverden zij dagelijks een voor honderdtallen aantrekkelijk schouwspel, als de hoofdwacht op den Dam werd afgelost. In het Paleis was namelijk steeds een detachement aanwezig, uit welke hoofdwacht schildwachten werden geplaatst voor de Nederlartd-sche Bank en de kantoren der Rijksbetaalmeesters en niet te vergeten voor het Paleis zelf, waar hun taak voornamelijk bestond uit het verjagen van kwajongens, die zich op de „kleine steentjes” voor het gebouw begaven,
128