zorgd bij de Christen broodbakkers, die ze in hunne ovens plaatsten. In den loop van den Zaterdagmorgen brachten de bakkersknechten de potten naar de rechthebbenden; twee knechten droegen dan acht a tien potten, aan een langen stok geregen, op hunne schouders langs ’s heeren wegen. De sjaletpot werd alsdan in de bedstede geplaatst onder kussens of dekbed en zoo warm gehouden tot het tijdstip, waarop de inhoud, welks graad van gaarheid uiteraard onberekenbaar en dus wisselvallig was, werd genuttigd. (Ledikanten en dekens werden in die dagen bij burgerlieden zelden aangetroffen.) Later vond een vernuftige smid een soort fornuis uit, dat het mogelijk maakte de spijzen op ongeveer gelijke wijze thuis te bereiden; dit maakte een einde aan de sjaletpotten en der-zelver karakteristiek transport.
Een aardig element van het stadsleven waren de schoorsteenvegers. Zij zijn er nog wel, maar in oneindig geringer aantal dan voorheen. Gewoonlijk waren zij Zwitsersch-Italianen, uit het kanton Ticino; ook waren er wel uit Savoie afkomstig. Sommigen hunner bleven hier gevestigd; hunne afstammelingen zijn Nederlandsche, vaak aanzienlijke families geworden. De meesten keerden echter, na verblijfvanvelej aren hier te lande, naar hun geboorteland terug, doch behielden dan gewoonlijk de hier geleerde Nederlandsche gebruiken en gewoonten, bleven Nederlandsch spreken, welke taal zij zelfs hunnen nakomelingen leerden. In een onzer tijdschriften stond onlangs het verhaal van een bezoek aan het dal van de Maggia, in Ticino, waaraan het volgende is ontleend:
„Over de mooie brug en langs het kerkje van Cevio, waar de Rovano haar wateren aan de Maggia schenkt, komen we weldra te Bignasco aan. Van daar wandelen we naar Cavergno, een kwartier gaans verder, doch wie komt ons tegemoet? Niemand minder dan Antonio Felice Dadó, sindaco — burgemeester — van Cavergno. „Goeie morgen, dames en heeren,” klinkt het. Vreemd? Och neen, want we zijn hier in de streek, waar vele Hollandsch sprekende Zwitsers wonen, die meestal terrazzowerkers, vioolbouwers, schoorsteenvegers, steenhouwers in ons land zijn geweest. Zijn Edelachtbare laat ons zijn huis en zijn kantoortje zien, waar we naast portretten van onze Koninklijke Familie een Avro-kalen-der en andere Hollandsche zaken zien... Na de lunch, waarbij burgemeester Dado onze eeregast is, wandelen wij naar Mondada... Een paar mannen — doch zij zien, dat we Nederlanders zijn en begroeten ons met een „goeie middag, dames en heeren.”
De Italiaansche „schoorsteenvegers en rookverdrijvers” waren gekleed in nauwsluitende grof-linnen pakken en droegen onveranderlijk hooge zijden
127