zondering orthodoxe, Joden, op den Vrijdagavond en den Zaterdag de lichten ontstak en doofde, alsook de kachels aanmaakte en het vuur onderhield, alle welke verrichtingen den Joden op den Sabbath verboden zijn.
Daarvan bemerkte men op straat uiteraard niets. Maar des te meer zag men op den openbaren weg, natuurlijk in de voornamelijk door Joden bewoonde wijken, van allerlei gebeuren, dat in verband stond met het Joodsche, vooral godsdienstige leven.
Bij de nadering van en op het Poerim- of Lotenfeest staken de talrijke bedelaars zich in vermommingen bij hunne inzameling van aalmoezen en kinderen trokken verkleed, in optocht en toepasselijke liedjes zingende, door de straten. In verschillende zalen, doch hoofdzakelijk in het toenmalige feestlokaal D’Ooievaar op de St. Anthoniesbreestraat, werden ge-costumeerde bals gegeven en vroolijke tooneelspelletjes, Poerimstukjes genoemd, vertoond. (Opgemerkt zij, dat de Amsterdammer niet spreekt van in, doch op de Joden-, St. Anthonies- en Reguliersbreestraat.)
Twee dagen voor het Paaschfeest brandden in de Jodenbuurten vele vuren, in welke, volgens ritueel voorschrift, de laatste in de huizen verzamelde stukken „gedeesemd” brood werden verbrand. Ook werden dan op straat allerlei ingrediënten voor de ceremonie op de eerste twee avonden van het feest verkocht, mierikswortel, bittere kruiden, een zoet mengsel, garouses geheeten, enz.
De nadering van het Pinkster- of Wekenfeest kenmerkte zich door levendigen handel in bloemen, met welke de synagogen en de woonhuizen kwistig werden versierd.
Ongeveer een week voor de komst van het Loofhuttenfeest werden voor tal van huizen, alsmede voor enkele synagogen, loofhutten gebouwd op een steigerwerk, zóó dat men door de vensters van boven-verdiepingen in de hutten kon geraken. Er werden dan ook de bij de godsdienstoefening op dit feest gebruikte palmbladen, zgn. ceder-appels (een citrus-soort), wilge- en myrthetakken op straat te koop aangeboden.
Een wekelijks terugkeerend schouwspel waren de optochten van de sjalet-potten. Het is den Israëlieten streng verboden op den Sabbath eenigerlei werk te verrichten of te laten verrichten; er mogen dus ook geen spijzen worden toebereid. In sommige gezinnen werden derhalve des Zaterdags slechts koude maaltijden genuttigd. Maar in de meeste werd eensjaletpot gereed gemaakt, zijnde een hooge en ruime Keulsche of rood-steenen pot, waarin soep, vleesch, aardappelen en gebak werden gelegd, door schotels van elkander gescheiden. Deze potten werden des Vrijdagsmiddags be
126