vandaar dat nog heden een regenscherm vaak „een besteedster” wordt genoemd. (Analoog is het Engelsche gamp, naar de parapluie van de fameuze verpleegster SaireyGamp in Dickens’ roman Martin Chuzzlewit.) De besteedsters belastten zich ook wel met het mangelen van wasschen, in welk geval hare verblijven een bord droegen, waarop: Hier mangeld men, onveranderlijk met een d. Het mangelen werd echter gewoonlijk als afzonderlijk bedrijf uitgeoefend.
Echt Amsterdamsch was de water- en vuurnering, gewoonlijk in een kelder uitgeoefend. Er werd heet water verkocht, alsmede gloeiende „doove kolen”, d.i. doorgebrande turf, en verder turf, talhout en kleine aanmaakhoutjes. In een grooten gemetselden ketel werd het water gekookt, dat voor een paar centen per emmer of ketel werd gedistribueerd. Afnemers van de gloeiende turfkolen, die in testen of komforen werden vervoerd, waren gewoonlijk zij, die geen doofpot bezaten en dus niet hun eigen doorgebrande turven konden bewaren. De vurige turven dienden tot verwarming van stoven en tot het ontsteken van kachel of haard, want lucifers kende men nog niet en de zwavelstok kon slechts dienst doen als er reeds een vuur brandde; de tondeldoos, die den mannen diende bij het brengen van den brand in pijp of sigaar, was voor het ontsteken van vuur waardeloos. De talhouten, zijnde ongeveer een el lange, droge, geschilde eiken takken, door twee twijgen bijeengehouden in een bundel, waren de brandstof voor de keukenhaarden. Fornuizen kende men niet. Elke keuken had een haard, met stookplaats in het midden, waarboven een ketting, in den schoorsteen bevestigd, hing. Aan dezen haak werden de potten gehangen, waarin de spijzen werden gekookt; om het vuur werden pannen gerangschikt; op het vuur werd in de koekepan gebakken; moest er gestoofd worden, dan geschiedde dit door op het deksel van den te vuur hangenden pot gloeiende kolen te leggen. Lucifers, fornuizen, petroleumstellen — om van gasringen en boilers niet te spreken — hebben aan het bestaan der water- en vuurkelders een einde gemaakt.
De exploitanten dezer bedrijven waren gewoonlijk ook porders. Doch er waren eveneens porders, die andere nevenberoepen uitoefenden. Aan vele huizen in de volksbuurten zag men de aankondiging: Hier gaat men uit porren. De taak der porders was, arbeiders en anderen, die vroeg uit de veeren moesten, op afgesproken uren te wekken, veelal door met een talhout op de deur te trommelen, want schellen ontbraken veelal. Aan dit beroep is door de wekkerklok een einde gekomen.
Een soortgelijk beroep was — en is wellicht nog, maar dan op veel kleinere schaal — dat van den man of vrouw, die bij de, eertijds bijna zonder uit
125