die haar eindpunt had bij de Oosterbegraafplaats, zoodat vele aansprekers er gebruik van maakten, werd het voertuig onverwijld de Kraaienknip genoemd.
Ook de dienstmeisjes onderscheidden zich door een bijzondere kleeding. In de eerste plaats door haar hoofdtooi. In den aanvang van het hier behandelde tijdperk was het de cornet. Later volgde, en vele tientallen jaren lang bleef de tullen muts. De katoenen japon in lichte kleuren was regel, zonder uitzondering; geen dienstbode verscheen ooit in een jurk van andere stof, behalve dan op uitgaandsdag en -avondje. Ook dit behoort tot het verleden, evenals trouwens in de meeste gevallen de eenvormige gestichtskleeding.
Amsterdamsch par excellence waren de kruiers. Misschien waren er ook wel in enkele andere groote steden zulke nuttige, in hun tijd zelfs volstrekt onmisbare menschen, maar zij zullen dan stellig niet met de Amsterdam-sche in één adem genoemd hebben kunnen worden. Gewoonlijk was een kelderwoning hun verblijf, althans hun place of business. De witte kiel was het teeken hunner waardigheid, zooals zij het thans is van de stations-kruiers, die dan ook witkielen worden genoemd. De diensten, die zij de burgerij bewezen, waren even talrijk als verscheiden. Zij bezorgden de verhuizingen, die op sleepers- en handkarren werden verricht, want tapissières waren onbekend, doch ook wel op schuiten. Zij deden boodschappen, inden en transporteerden gelden, bezorgden brieven en pakjes, zoowel voor particulieren als voor kantoren, die niet groot genoeg waren om er een eigen loopknecht op na te houden. Zij chaperonneerden, bij ontstentenis van familieleden, jonge meisjes, die zij naar partij, schouwburg of concert brachten en van daar ook afhaalden. Zij bezaten ieders volledig vertrouwen, dat zij nooit beschaamden; geen geval is bekend, waarin een kruier tekortschoot in zijn plicht. Ook zij behooren tot het verleden. De telefoon en andere innovaties hebben hen verdrongen, doen de diensten, die zij eenmaal verrichtten; en de jonge dames van onzen tijd kunnen chaperons ontberen.
Hun lot is ook dat van anderen, die in het verleden hunne medeburgers dienden. Zoo de besteedsters, de vrouwen, bij wie meisjes, die „een dienst” begeerden en mevrouwen, die een dienstbode noodig hadden, zich vervoegden. De besteedster bracht haar tot elkander. De voorloopige overeenkomst werd bezegeld met een Godspenning, in het Amsterdamsch goospenning, voor het meisje. Kwam de zaak in orde, dan ontving de besteedster een usantiëele belooning voor hare diensten. De legende wil, dat deze vrouwen nooit uitgingen zonder een groote katoenen parapluie;
124