„Van 1688 tot 1732, en dus in 34 jaren, 902 branden ontstaan, waarvan er 246 door de slangbrandspuiten, en de overige buiten dezelve gedempt zijn. De branden bleeven meest altijd bij hetzelve huis, maar zeedert eenige jaren heeft men het ongeluk, dat er zoms 2 of 3 huizen tegelijk verbranden. De branden ontstaan meestal uit onbekende oorzaken — maar zedert eenige tijden liggen veel onder verdenking van gestigt te zijn, oorzaak hiervan zijnde de zoo veele Brand Assurantie Maatschappijen, waar bij men de huizen, meubelen enz. zoms ver boven de waarde verzekerd en dus de geleedene schade vergoed word, zijnde zommigen hierdoor dan nog rijker als voor den brand.”
Vandaar waarschijnlijk het oude Amsterdamsche gezegde: „In den brand, uit den brand.”
Ongeveer zeventig jaren geleden werd de vrijwillige brandweer, met haar spuitenhuisjes, brandmeesters en spuitgasten, premies voor het eerste water geven (om welke te bemachtigen de bemanning van de eene spuit de slangen van de andere doorsneed) enz. afgeschaft, nadat bij een brand, die een heel complex huizen in den Kippenhoek (Rembrandtsplein) en Utrechtschestraat in de asch legde, gebleken was, dat het in de groote en reeds groeiende stad zoo niet langer kon. Een corps beroeps-brand-weerlieden werd gevormd en geoefend, kazernes werden gebouwd, stoomspuiten, uitschuif bare ladders en ander modern materiaal werd aan geschaft, een drijvende stoomspuit, de populaire Jan van der Heiden, werd in dienst gesteld en zoo kreeg Amsterdam de beschikking over een brandweer, die voor de beste ter wereld niet onderdeed en die haar roem heeft weten te handhaven tot dezen dag. Haar uitrusting hield steeds met den vooruitgang der techniek op dit gebied gelijken tred. Haar bestaan wordt thans bedreigd door plannen volgens welke zij, naar het voorbeeld van ’s Gravenhage, met de politie zal vereenigd worden — plannen, die hevig en waarschijnlijk gerechtvaardigd verzet hebben uitgelokt, zoodat er kans bestaat, dat zij schipbreuk zullen lijden, hetgeen ieder rechtgeaard Amsterdammer zou verheugen, want weinig instellingen genieten een zoo algemeene populariteit als de onvolprezen Amsterdamsche brandweer. Over de kleedij der Amsterdammers werd reeds een en ander medegedeeld. Maar bijzondere vermelding verdienen de kleederdrachten van bepaalde groepen.
Hier komen dan het eerst de bevolkingen van de talrijke wees-, oucie-lieden- en andere huizen en gestichten in aanmerking, en vóór alle andere die van het Burgerweeshuis, het weliswaar niet ongerept gebleven, maar niettemin nog zeer fraaie en groote gebouwen-complex tusschen Kalver-
122