rieten wapenstok bij, die echter na eenige jaren werd afgeschaft; de revolver is er voor in de plaats gekomen. Ongeveer veertig jaren geleden werd politie-ruiterij ingesteld, door het volk de bereeje genoemd; zij was gewapend met een cavalerie-sabel, die later werd vervangen door een soort lat van harde rubber. Er is thans ook een motor-afdeeling en zelfs eene, die militair is uitgerust, compleet met karabijn en stalen helm. Vóór de reeds genoemde reorganisatie deed de politie slechts op den dag dienst. De bewaking der stad des nachts was toevertrouwd aan nachtwachten. Hun heeft de Wijkmeester, zooals men weet, niet vergeten. Schrijver dezes heeft de nachtwachts nog gekend, hun roep vernomen, hun geratel gehoord en hun evenmin gevreesd als de brave jongen in Van Alphen’s gedicht „den klepper” van zijn tijd duchtte. Hij vernam zelfs, dat hun alarmsein bestond in het „verkeerd slaan” van den ratel. En bovendien heeft hij aanschouwd hoe zij met Kermis en Nieuwjaar hunne „wenschen” aanboden, gelijk ook de vuilnismannen, de lantaren-opstekers en andere even nederige als nuttige dienaren der burgerij deden. Zulk een „wensch” bestond in een vers, bevattende de compliments of the season, versierd met een grove houtsnede, gewoonlijk voorstellende den wenscher in de uitoefening zijns beroeps, tegen den achtergrond van een stadsgezicht.
Uit de aanteekeningen van den Wijkmeester vernemen wij voorts hoe het gesteld was met de bestrijding van het brandgevaar. Aldus:
„Bij veele Brandkeuren is voor de brandblussching gesorgd en daar men voorheen bij de blussching brandemmers gebruikte (welke men thans nog in wesen houd), gelijk ook brandladders, gieters, haaken om de huizen om te halen, zeilen en spuiten zonder slangen, zoo zijn deze alle afgeschaft bij de invoering der Slangbrandspuiten naar het jaar 1672, toen Jan van der Heiden dezelve uitvond. (Deze vond ook de lantarens uit) en deze hebben tot in dit jaar 1841 nog stand gehouden. Voor de invoer dezer Spuiten bedroeg de schade jaarlijks ƒ 341.376 en na de invoering derzelve ƒ 3170 in het jaar (de Wijkmeester heeft het wel zeer nauwkeurig berekend), zijnde dit tot een voorbeeld van het nut derzelve... Een aantal van 77 brandspuiten en met 170 brandmeesters zijn over alle wijken der stad en rondom dezelve verdeeld, tot blussching der brand.” Waar in dit citaat eenige puntjes staan, heeft onze Wijkmeester de volgende merkwaardige mededeelingen gedaan, uit welke blijkt, dat het „in den goeden ouden tijd” met de moraliteit niet in alle opzichten zoo prima in orde was, als wel, in tegenstelling tot het verdorven heden, wordt beweerd en geloofd. Hij schrijft:
121