Hoe vertoonde zich nu de stad, waarin de beschrevenen verbleven en verblijven, aan hem, die haar met belangstelling gadesloeg?
Vóór ongeveer 1880 waren straten en grachten bestraat met keien en klinkers. De rijwegen waren alle met keien geplaveid; voor de wandelaars waren klinkerpaden aanwezig, die de Amsterdammers „de kleine steentjes” noemden. De eerste asphalt-bestrating werd ongeveer 1880 in de Kalverstraat gelegd, van het Spui tot den Dam.
De talrijke steenen bruggen of sluizen waren gewoonlijk, ten dienste van de scheepvaart, vrij hoog; van zulke bruggen bestaan nog enkele exemplaren, o.a. op den Amstel (westzijde) en de Reguliersgracht. Waar niet, zooals in de meeste binnengrachten, vrijwel uitsluitend zolderschuiten, doch ook grootere en hooger gebouwde schepen voeren, bevonden zich ophaalbruggen van het enkele of dubbele wip-type. Over de lotgevallen dezer bruggen werd elders reeds gesproken.
Wijkmeester Meijer heeft ons, zooals wij hebben gezien, omtrent de straatverlichting in zijn tijd ingelicht.
Dertig jaar later, toen schrijver dezes begon rond te kijken in zijn vaderstad, was sinds lang de geheele stad door gas verlicht. Er waren toen zelfs twee gasfabrieken, de Engelsche, in de Marnixstraat, en de Hollandsche, gewoonlijk die van De Bruijn genaamd, op de Weteringschans, waar zich thans Den Texstraat en omgeving bevindt. Zij werden beide opgeheven, toen aan de Imperial Continental Gas Association concessie werd verleend, hetgeen niet dan na zeer hevigen strijd in den Gemeenteraad geschiedde. Zij bouwde de gasfabrieken aan den Haarlemmerweg en aan de Linnaeusstraat (thans buiten gebruik gesteld). Toen haar concessie afliep, nam de Gemeente het bedrijf in eigen beheer. Zij bouwde een derde gasfabriek aan den Amstel, even voorbij den Omval, een wel zeer ongelukkig gekozen plek, daar de gasketel het fraaie riviergezicht volslagen heeft bedorven.
De stad was dus door gas verlicht. De meeste woonhuizen eveneens, ofschoon er in de volksbuurten nog vrij veel petroleumlampen in gebruik waren en lang nog bleven. Ongeveer 1885 kreeg Amsterdam het eerste electrische licht, twee booglampen aan den gevel van het oude Postkantoor aan den N.Z. Voorburgwal. Een korte poos later nam de directie van het Café Krasnapolsky, in de Warmoesstraat, een electrische installatie in gebruik, die de grootsche inrichting deed baden in een zee van licht, uitstralende van tallooze gloeilampjes, die Edison kort te voren had uitgevonden. Daarmede kreeg het electrisch licht vasten voet te Amsterdam. Weldra werd nu de Maatschappij Electra opgericht, die
119