Met de vrouwen was het aldus gesteld:
„Rijzig van gestalte, schoon en welgemaakt, blank van huid, blond of bruin haar, blaauwe oogen, doch welke doorgaans flaauw zijn en waarin weinig uitdrukking is, blozende kleuren en schone tint en rond van wesen, een gelaat als van melk en bloed, grof van beengestel, met een groven, dikken voet.”
Merkwaardig is het verschil tusschen de mannelijke stoute en de vrouwelijke flauwe oogen, dat de Wijkmeester waarnam en vereeuwigde. Niettemin komen de vrouwen er, behoudens dan wat de voeten aangaat, goed van af. Maar...
„Onder de vrouwen is deze blozende schoonheid egter niet zeer duurzaam, want in de eerste jaren van het huwelijk wordt doorgaans het voorheen zoo bloeijend meisje onkenbaar en zommige bijna oude vrouwen; haar boezem wordt slap, enkelde blijven egter duurzaam en waar schoon.”
De vraag rijst: hoe zou de Wijkmeester, kon hij opstaan uit den doode, ons tegenwoordig geslacht, vooral het vrouwelijke, beoordeelen? Indien schrijver dezes, in zekeren zin 5s mans opvolger, het zou moeten doen, zou hij zeker den lof zingen onzer meisjes en vrouwen, die niet snel verwelken en verouderen als voorheen, omdat haar leven anders is geworden, omdat zij aan lichaamsoefening en sport doen, omdat zij haar lichaam verzorgen, omdat zij niet oud willen worden — hetgeen trouwens ook van de andere sexe geldt.
Intusschen vernemen wij verder:
„Mismaakte, als kreupele, gebogchelde en blinde, worden er naargelang der bevolking zeer weinige gevonden, en hetgeen nogal opmerkelijk is, dan nog meest onder de Christenen en bijna geheel niet onder de Jooden.” De oude Meijer verhaalt ons voorts hoe de menschen, wier lichamelijke gesteldheden en eigenaardigheden hij met zorg schijnt te hebben bestudeerd, gekleed waren. Ten eerste de mannen:
„Een ronde hoed of pet. Eigen haar of haarpruikje. Een zomerjas zeer kort, een zeer lange winterjas. Een zeer korte rok, meest zwart of zeegroen. Een lange lakensche of bommazijne pantalon. Zeer hooge schoenen, of halve en ook heele laarsen, de schoenen met riemen vastgemaakt, geen gespens. Enkele met een goud horlogie met ketting en groote goude sleutel, veelal met haar bewerkt, doch het welk van veele Fransch Goud of valsch is. Een juweele of goude ring aan de vinger. Meest alle in het gezigt bak- of snorrebaarden. Een verlakte zaktabaksdoos of sigarenkoker. Het horologie, hetzij dan van goud of zilver, met een stale ketting om den
116