STADS-ATTRIBUTEN
y yie de kopergravures aanschouwt, met welke de werken van de 17de en i8de-eeuwsche geschiedschrijvers der stad zijn versierd — het zijn dikwijls dezelfde, hier en daar eenigszins gewijzigd, naarmate ingetreden veranderingen het vorderden — zou allicht tot de overtuiging geraken, dat de Amsterdammers van die dagen buitengemeen deftige, zich statig bewegende, elkander hoofsch groetende, nooit uit de plooi komende lieden waren, zoodat het hier op straat wel zeer saai moet zijn geweest. Men bedenke echter, dat het er den vervaardigers dezer gravures slechts om te doen was een gebouw of een stadsbeeld te laten zien en dat de figuurtjes slechts de nu eenmaal onvermijdelijke verlevendigende stoffage vormden. In werkelijkheid is het Amsterdamsche straatleven altijd zeer levendig geweest. Men behoeft er Breeroo maar op na te lezen, om te weten hoe het er in de 17de eeuw mede was gesteld. Zoo was het ook voor dien tijd — wij bezitten daaromtrent documentair materiaal genoeg — alsmede daarna, en zoo is het gebleven tot dezen dag.
Het is wel zeker, dat de Amsterdammer van oudsher veel en graag op straat was. In de volksbuurten speelde het leven der menschen zich voor een aanzienlijk deel op straat af. In de winkelstraten was het altijd een gezellige, gemoedelijke drukte. Vaste en toevallige incidenten kruidden het leven-op-straat. Zelfs nu nog, in dezen tijd van nivelleering, verwaar-loozing van eigen goed en import van buitenlandsche surrogaten, is het te Amsterdam bij den weg nog steeds anders, intiemer, leutiger dan elders. Er heerscht altijd gezellige drukte.
Onze Wijkmeester vertelt ons in zijne aanteekeningen hoe in zijne dagen „gestalte en gedaante der inwoonders” van Amsterdam zich aan hem vertoonden:
„Gestalte en gedaantevan het mannelijk geslacht zijn: Meer rijzig danklein, welgemaakt, blank van huid, bruin haar, blaauwe oogen metstouten blik.”
IJ5