aldaar zeer sterk vermindert. Zommige, gelijk de Paarden Rijders van Blondin, de Menagerien van Van Aken en Martin, behielden noch al Jaarlijks de grooten toeloop van aanzienelijke en geringere. Zoo worden dus de twee weeken der kermis doorgebracht. In de derde of laatste week vermindert het Vermaak zeer sterk, tot op den laatste Zaturdag Avond, wanneer een groot aantal der geringere Standen, door een luidruchtig gejuich, evenals de andere in de tweede Week, kermis houden.”
Schrijver dezes heeft de Kermis, die een zestigtal jaren geleden werd afgeschaft, nog gekend, niet als Kermisganger — want daartoe was 1 ij te jong — doch als aanschouwer; want hij werd geboren en woonde vele jaren op de Botermarkt (Rembrandtsplein), het brandpunt van de kermis, zoodat het beeld zich in zijn geheugen heeft gegrift.
Botermarkt en Reguliersplein (Thorbeckeplein) waren geheel bezet met kramen en tenten. Er waren circussen, menagerieën, schouwburgter.ten, hippo- en velodrómes, schiettenten, draaimolens, poffertjes-, wafel- en plaatkoekenkramen, stalletjes waar oliebollen, koek, snoepgoed, krame-rijen, eieren en zuur en tal van andere dingen verkrijgbaar werden gesteld, tenten met lachspiegels, dikke dames, vrouwen met baarden, kalveren met zes pooten en twee koppen, vuureters en degenslikkers, zeemeerminnen, reuzen en dwergen, goochelaars en jongleurs, waarzegsters, wassen beelden en wat de menschelijke geest op dit gebied verder kan uitdenken.
Er heerschte een muzikaal pandemonium. De orgels der draaimolens lieten zich onafgebroken hooren en er waren ook ambulante orgels, wier draaiers in ijver voor die der carroussels niet onderdeden. Een kwartier voor elk der talrijke voorstellingen verschenen de circusmuzikanten op de bordessen vóór de tenten en bliezen en sloegen er lustig op los, om de menschen te verzamelen; dan kwamen paardrijdsters, clowns, pikeurs, acrobaten en wat dies meer zij naar buiten en sprak de circusleider de „burgers en buitenlui” toe, schetste met groote welsprekendheid de wonderen, die deze artisten zoo dadelijk zouden verrichten en eindigde met een opsomming der entreeprijzen — „kinderen en soldaten half geld”. Ook de kleinere établissementen beschikten meestal over een instrumentalist, die piston blies, of een groote trom beukte. Al met al een wonderbaarlijke geluidenhel, een blèrende, daverende cacophonie. Het licht van gasvlammen, toortsen, kaarsen en vetpotten bestraalde het complex en om en boven alles hing een onzichtbare, doch zeer ruikbare wolk van geuren van smeltend vet, kokende boter, koek, warme olie, zweet en jenever.
112