Wijkmeester Meijer vertelt ons, hoe zij in zijn dagen was:
„Kermis; deze is voor de meeste Inwoonders het grootste der Vermaken, zelfs van Oude Tijden af. Keizer Karel gebood reeds in het Jaar 1531, dat geen Kermis, tot voorkoming van dronkenschap, langer dan eenen dag mogt duren.
De Kermis begint zedert September 1806, den eerste Maandag in September; dien dag gaan Nachtwachts enz. evenals op Nieuwjaarsdag, rond, om een pleizierige kermis te wenschen, en vermaken zig verder dien dag. Aan den Kinderen word van dien Maandag tot Zaturdag toe, de Vrijheid gegeven om op de Beurs te trommelen, te spelen, of zich met het afsteken van Voetzoekers te vermaken. Voorheen was deze geheele Week meest voor de Buitenlieden, welke dan in de Stad kwamen om kermis te houden, maar dit is zints eenige jaren geheel veranderd; deze komen nu meest allen op den tweede Maandag in de stad; op den volgende Dings-dag, Woensdag en Donderdag gaan zeer veele Dienstboden uit, op hunne zoogenaamde Halve Dag, maar veele verschuiven dit tot op den volgende Zaturdag, en dit is zints eenigen tijd in gebruik, dat veele uit den Middenstand en de geringere dien dag dan ook kermis houden, duurende dit dan den geheele Nacht; voorheen moesten de dienstboden of Burgerdochters, op hunne halven Dag, des avonds ten 10, 11, ja uiterlijk ten twaalf uren thuis zijn, maar thans rekend men niet te kermis te zijn geweest, als men geene nacht uit geweest is; wierd deze dag en nacht even als voorheen toegebracht met ’t bezoeken der Wafel en Pofferties kramen, en het rond gaan in kijkspeelen of van meer bejaarden in de kunstspelen, met gezelschap met elkanderen, of in den schouwburg, welke in deze week alle dagen speeld, of in de Kemphaantjes op de Nieuwmarkt, om Bier te drinken, maar door de meeste word deze Dag en Nacht besteed om in baldadige luidruchtigheid langs de straten en grachten te gaan, neemende veele drank met zig, om die op straat te drinken, en te dansen onder het zingen van vuile en liederlijke liedjes, vindende daar bij veele Dronkenschap, ontucht enz. plaats, zoodat men soms den volgende Zondagmorgen nog van hun op of in de Stoepen vind liggen, en veele Dienstboden dien dag hunnen diensten moeten verlaten; dit word voor niets gerekend, als men maar na zijn zin kermis gehouden heeft. Dit ging zoms zoo hoog, dat de Regeering in 1825 bij den aanvang der Kermis een iegelijk moest vermanen, om zig van alle losbandigheid te wagten. Dit werd meermalen herhaald, zonder van eenige vruchtegevolg te zijn. De Kijkspelen, gelijk ook de Kunstspelen, op de kermis komende, zijn meest alle Jaren dezelfde, en hebben weinig te beduiden, waarom de toeloop
111