OVERZICHT VAN HET JOODSE HUWELIJKS- EN ECHTSCHEIDINGSRECHT
Nederlandse recht1, indien een huwelijk spaak is gelopen en er geen verzoening mogehjk is, een echtscheiding kan volgen.
VII.2.d Vorm van Echtscheiding
Om een echtscheiding te bewerkstelligen zal de man, na consultatie met de bevoegde rabbinaat, opdracht geven aan een schrijver2 om een scheidsbrief op te stellen. Dit moet een specifiek, doelgerichte opdracht zijn waarover geen enkele onduidelijkheid mag bestaan. In tegenstelling tot andere rechtshandelingen is het in de Halacha omstreden dat in gewone gevallen hierbij geen vertegenwoordiging mogehjk is. De schrijver moet in beginsel de opdracht rechtstreeks van de man krijgen. Alle personen zijn bekwaam om een get te schrijven, ook zij die ten aanzien van andere rechtshandelingen onbekwaam zijn, zoals bijvoorbeeld minderjarigen. De reden hiervoor is dat het schrijven in wezen geen rechtshandeling is maar een uitvoeringshandeling. De geldigheid van de get wordt geconstitueerd door de ondertekening van de twee getuigen3. Partijen tekenen niet, daar hun naam reeds in het document is opgenomen.
Volgens de Tora moet de man de vrouw de get vrijwillig geven. Maar er zijn, gelet op de situaties waarin de vrouw de echtscheiding kan vragen, omstandigheden waarin de man kan worden gedwongen een get te geven.4 Maar een get onder dwang gegeven (get me'oesé), is ongeldig.
154
1 411 Sinds 1970. Daarvoor golden in de wet opgesomde gronden. Deze wettelijke regeling werd echter grotendeels omzeild door wat toen werd genoemd de "Grote Leugen:"; men erkende - in strijd met de waarheid - dat een der in de wet opgesomde gronden van toepassing was om zo een echtscheiding te verkrijgen.
2 De get mag niet worden geschreven op Sjabbat, Joods Nieuwjaar en Grote Verzoendag en feestdagen - dagen waarop elke arbeid verboden is.
3 Aanvankelijk werd de ondertekening door de getuigen niet vereist, maar door R. Gamliel [de Oudere] (mGitt. 4:3) werd de eis van ondertekening ingevoerd. In de latere literatuur wordt dit betwist. Sommigen menen dat deze eis al langer gold: Tos.bGitt. 30a s.v. "Veha'eediem".
4 414 R. Tzvi Gartner: "Problems of a Forced Get", JHCS. Vol. IX, Pesach 5745/Spring 1985. pp. 118-143. R. Ezra Batsri: "Get Me' usah" (Hebr), in Shenaton HaMishpat Halvri. Annual of the Institute for Research in Jewish Law. The Hebrew University of Jerusalem. Vol. XVI-XVII. Jerusalem 1991. pp. 535-553. Irving Breitowitz: "The plight of the Agunah; a study in Halacha, contract and the First Amendment". Maryland Law Review. Vol. 51 (1992). pp. 331-337.